Belanghebbende, een besloten vennootschap en topholding van een groep vennootschappen, kreeg een verzuimboete van €5.170 opgelegd wegens het niet tijdig betalen van dividendbelasting van €172.350. De boete werd door de rechtbank verminderd tot €2.000, maar belanghebbende ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
Het geschil betrof de rechtmatigheid van de boete, waarbij belanghebbende stelde dat het verzuim een bagatelkarakter had, dat zij uit eigen beweging de betaling had gecorrigeerd en dat de boete in strijd was met het evenredigheidsbeginsel. De Inspecteur handhaafde de boete en wees op het ontbreken van verzuimreeksen in het beleid en het feit dat dividendbelasting is uitgesloten van horizontaal toezicht.
Het hof oordeelde dat de betaling 27 dagen te laat was, wat een verzuim opleverde volgens de Wet op de dividendbelasting en de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Echter, belanghebbende had op 30 oktober 2019 alsnog aangifte gedaan en de belasting betaald, waarmee zij uitdrukkelijk kenbaar maakte dat en tot welk bedrag niet was betaald. Dit kwalificeerde als een vrijwillige verbetering volgens het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.
Daarom was de boete niet onherroepelijk en moest deze worden vernietigd. De overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg werd erkend, maar aangezien de boete werd vernietigd, was toekenning van een immateriële schadevergoeding niet aan de orde. Het hof gelastte tevens vergoeding van het betaalde griffierecht aan belanghebbende.