Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2982

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
200.336.988
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:88 BWArt. 1:89 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over verjaring vernietigingsrecht effectenleaseovereenkomsten

In deze civiele zaak staat centraal of het vernietigingsrecht van de erfgename van de oorspronkelijke contractant op effectenleaseovereenkomsten met Dexia Nederland B.V. is verjaard. De overeenkomsten werden in 1998 en 1999 gesloten, en de erfgename stelde in 2003 dat zij deze vernietigde wegens het ontbreken van haar schriftelijke toestemming.

Het hof heeft vastgesteld dat de verjaringstermijn is gaan lopen op het moment dat de erfgename daadwerkelijk bekend was met de overeenkomsten. Uit bewijs en getuigenverklaringen blijkt dat zij al vóór 15 februari 2000 op de hoogte was, ondanks haar stelling dat zij pas in 2001 van het bestaan wist. Het hof acht haar verklaring onvoldoende overtuigend gezien de omvang van de maandelijkse aflossingen en het gezamenlijke bankrekeninggebruik.

Daarmee was het vernietigingsrecht ten tijde van haar verklaring in 2003 al verjaard. Het hof vernietigt de eerdere vonnissen van de kantonrechter, verklaart dat Dexia aan al haar verplichtingen heeft voldaan, en veroordeelt de erfgename tot terugbetaling van reeds ontvangen bedragen en tot betaling van proceskosten. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof oordeelt dat het vernietigingsrecht verjaard is en verklaart dat Dexia aan al haar verplichtingen heeft voldaan, met veroordeling van de erfgename tot terugbetaling en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.336.988
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, 9398531
arrest van 12 mei 2026
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.
die is gevestigd in Amsterdam
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als eiseres
hierna: Dexia
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats]
hierna: [geïntimeerde]
in haar hoedanigheid van erfgename van [erflater] (hierna: [erflater] )
waarbij [erflater] bij de kantonrechter optrad als gedaagde
advocaat: mr. J.B. Maliepaard

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Naar aanleiding van het arrest van 21 oktober 2025 heeft op 13 januari 2026 een getuigenverhoor bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Na het getuigenverhoor hebben partijen memories na enquête genomen, waarna een datum voor arrest is bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1.
Tussen Dexia en [erflater] zijn in 1998 en 1999 effectenleaseovereenkomsten tot stand gekomen met contractnummers [contractnummer1] (overeenkomst I), [contractnummer2] (overeenkomst II), [contractnummer3] (overeenkomst III), [contractnummer4] (overeenkomst IV). De overeenkomsten I tot en met IV zullen hierna gezamenlijk “de overeenkomsten” worden genoemd. [erflater] was de echtgenoot van [geïntimeerde] . Hij is na de procedure bij de kantonrechter overleden. [geïntimeerde] heeft geen schriftelijke toestemming verleend voor het aangaan van de overeenkomsten. Zij heeft op 15 februari 2003 aan Dexia bericht dat zij, vanwege het ontbreken van haar toestemming, de overeenkomsten vernietigt (op grond van de artikelen 1:88 en 1:89 BW). In deze procedure stelt [geïntimeerde] dat zij, vanwege die vernietiging van de overeenkomsten, nog een vordering heeft op Dexia. Tussen partijen is in geschil of het vernietigingsrecht ten tijde van het uitbrengen van de vernietigingsverklaring was verjaard.

3.De verdere beoordeling door het hof

Vernietiging overeenkomsten ex artikel 1:88 lid 1 sub d BW Pro/1:89 lid 1 BW

3.1.
Dexia voert in dit hoger beroep drie grieven aan. De grieven richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat Dexia onvoldoende heeft onderbouwd dat [geïntimeerde] op een eerdere datum dan 15 februari 2000 al bekend was met de overeenkomsten, dat het bewijsaanbod van Dexia om die reden gepasseerd dient te worden, en dat zodoende als uitgangspunt heeft te gelden dat [geïntimeerde] niet voor 15 februari 2000 bekend was met de overeenkomsten. Dexia betoogt dat de kantonrechter met dat oordeel een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd (grief I), dat er te zware eisen zijn gesteld aan het bewijsaanbod van Dexia (grief II) en dat de kantonrechter ten onrechte is vooruitgelopen op de uitkomst van een getuigenverhoor (grief III).
3.2.
Uit het tussenarrest volgt dat het vernietigingsrecht van [geïntimeerde] voor het eerst is gestuit met de op 13 maart 2003 ingestelde collectieve actie van onder meer de Stichting Eegalease. Het hof komt daarop terug, dit in die zin dat niet de genoemde datum van 13 maart 2003 maatgevend is, maar de datum van 15 februari 2003. Zoals het hof in het tussenarrest (in rov. 3.5) ook heeft vastgesteld, heeft [geïntimeerde] immers op 15 februari 2003 aan Dexia bericht dat zij de overeenkomsten vernietigt. Dat betekent dat het vernietigingsrecht van [geïntimeerde] bij het uitbrengen van de vernietigingsverklaring alleen verjaard was, als de verjaringstermijn voor 15 februari 2000 is aangevangen. Dat laatste is het geval indien – kort gezegd – [geïntimeerde] voor 15 februari 2000 daadwerkelijk bekend is geworden met de overeenkomsten. De vermelding in het tussenarrest dat de datum van 13 maart 2000 beslissend zou zijn, betreft in zoverre een onmiskenbare vergissing. Het hof verwijst verder naar het toetsingskader zoals het dat uiteen heeft gezet in het tussenarrest. Het hof tekent daarbij aan dat [geïntimeerde] en Dexia, gelet ook op de hierna te noemen beoordeling, niet benadeeld zijn doordat het hof uitgaat van de datum 15 februari 2000 (in plaats van de datum 13 maart 2000).
3.3.
Het hof heeft in het tussenarrest verder het volgende overwogen. Tussen partijen is niet in geschil dat de betalingen ten aanzien van de overeenkomsten plaats hebben gevonden van een gezamenlijke bankrekening (een “en/of-rekening”) die op naam was gesteld van [erflater] en [geïntimeerde] . Het hof heeft geoordeeld dat gelet op die omstandigheid voorshands dient te worden aangenomen, behoudens door [geïntimeerde] te leveren tegenbewijs, dat [geïntimeerde] al voór 13 maart 2000 (dit moet zijn: 15 februari 2000) bekend was met het bestaan van de overeenkomsten. [geïntimeerde] is toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen dat vermoeden. Zij heeft zichzelf als (partij)getuige laten horen. Dexia heeft afgezien van contra-enquête.
3.4.
Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] het voorshands aangenomen bewijs niet heeft ontzenuwd en daarmee niet in het leveren van tegenbewijs is geslaagd. Hiervoor is het volgende van belang.
3.5.
[geïntimeerde] heeft in aanvulling op haar schriftelijke verklaring onder meer het volgende onder ede verklaard. [geïntimeerde] was in gemeenschap van goederen getrouwd met [erflater] . Zij wist niet dat [erflater] de financiële producten bij Dexia had afgesloten. Naast de door [erflater] gesloten overeenkomsten is in 1999 op naam van [geïntimeerde] een effectenleaseovereenkomst gesloten met Dexia. Ten aanzien daarvan heeft [geïntimeerde] verklaard dat zij gewoon wat heeft getekend. [erflater] deed de financiën en vroeg weleens vaker om iets te tekenen. Zij bemoeide zich er nooit mee. [geïntimeerde] weet niet waarom [erflater] op haar naam een overeenkomst heeft afgesloten. Zij heeft niet naar het contract gekeken en heeft het niet gelezen. In de effectenleaseovereenkomst die op naam van [geïntimeerde] is gesloten, is een maandelijkse aflossing van NLG 3.477,20 genoemd. Ten aanzien daarvan heeft [geïntimeerde] verklaard dat zij niet wist dat dat bedrag maandelijks werd betaald. Van de financiën wist zij helemaal niets. [erflater] deed dat altijd en dat ging ook altijd goed. [geïntimeerde] heeft tien of twaalf jaar gewerkt bij een stichting voor gehandicapten. Zij weet niet zeker of dat in de periode 1998-2001 was. [erflater] heeft 40 jaar bij de post gewerkt. Wat [erflater] en zij verdienden weet [geïntimeerde] niet. Ook weet zij niet waar de afschrijvingen voor de overeenkomsten van betaald werden. Verder weet [geïntimeerde] niet of zij en [erflater] spaargeld of ander vermogen hadden. Zij weet wel dat ze een hypotheek hebben gehad voor het huis dat zij in 1970 of 1971 hebben laten bouwen. Nadien is er nooit meer iets veranderd in hun hypotheeksituatie. Het echtpaar besprak hun gezamenlijke financiële positie niet. Zij beslisten wel gezamenlijk over zaken die echt nodig waren in huis, zoals een wasmachine. [erflater] deed de financiële administratie en de belastingaangifte voor [erflater] en [geïntimeerde] samen. [geïntimeerde] keek niet naar de ingevulde belastingaangifte. Zij deed het huishouden. Verder haalde [geïntimeerde] de post op en sorteerde het. De post die met de financiën te maken had gaf zij aan [erflater] . Die opende die post. Het echtpaar had een gezamenlijke bankrekening. [geïntimeerde] had geen rekening op haar eigen naam. Zij weet niet van welke bankrekening de maandelijkse betalingen aan Dexia werden afgeschreven. Ook weet zij niet dat er in 2001 met twee overeenkomsten volgens de eindafrekeningen positieve resultaten zijn behaald. De bankafschriften bekeek [geïntimeerde] nooit. Op een gegeven moment heeft [geïntimeerde] wel een bankpas gekregen van de bankrekening voor het betalen van boodschappen. Voordat zij een bankpas kreeg, betaalde [geïntimeerde] de boodschappen met contant huishoudgeld dat [erflater] haar gaf. Zij weet niet of zij voor of na 2001 een bankpas kreeg. [geïntimeerde] weet sinds 2001 van het bestaan van de overeenkomsten. Op de vraag hoe zij dat jaartal zeker weet, geeft [geïntimeerde] aan dat zij dat ooit weleens heeft gelezen. [erflater] vertelde haar destijds dat ze pech hadden gehad met de financiën en dat het niet zo goed ging. Hij vertelde over het bestaan van de overeenkomsten en dat het daar niet goed mee ging. [erflater] heeft haar niet verteld over de overeenkomst die op haar eigen naam was afgesloten. [geïntimeerde] weet niet meer wanneer zij daar achter kwam. Rond 2001 heeft [geïntimeerde] in verband met de financiële situatie even gewerkt bij een schoonmaakbedrijf. Op de vraag of [geïntimeerde] op dat moment niet de baan had bij de stichting voor gehandicapten heeft zij verklaard dat zij daar een tijd heeft gewerkt, maar er na zoveel jaar uit moest.
3.6.
Het hof acht de verklaring van [geïntimeerde] dat zij pas sinds 2001 weet van het bestaan van de overeenkomsten onvoldoende overtuigend. Daarbij betrekt het hof dat in 1999 een overeenkomst is afgesloten op naam van [geïntimeerde] zelf met een maandelijkse aflossing van NLG 3.477,20. De totale leasesom van deze overeenkomst bedroeg NLG 292.084,80. Het hof acht het gelet op deze zeer hoge totale leasesom en maandelijkse aflossing niet geloofwaardig dat [geïntimeerde] niet wist dat zij een effectenleaseovereenkomst met Dexia had gesloten en dat zij die overeenkomst blindelings heeft ondertekend. De maandelijkse aflossing van NLG 3.477,20 moet een grote impact hebben gehad op het maandelijkse budget van het echtpaar. Daarbovenop kwamen nog de maandelijkse aflossingen uit de vier overeenkomsten die [erflater] in 1998 en 1999 had afgesloten. Die overeenkomsten hadden maandelijkse aflossingen van NLG 501,86 (overeenkomst I), NLG 503,39 (overeenkomst II) en NLG 503,86 (overeenkomst III). De totale leasesommen bedroegen NLG 93.346,29 (overeenkomst I), NLG 101.223,60 (overeenkomst II) en NLG 109.224,64 (overeenkomst III). Wat betreft overeenkomst IV was overeengekomen dat [erflater] de volgende bedragen diende te betalen: bij ondertekening van de overeenkomst een bedrag van NLG 1.000,-, op of omstreeks de 35e maand een bedrag van NLG 100,- en aan het einde van de overeenkomst een bedrag van NLG 4.640,93. Het hof acht het gelet op de hoge maandelijkse kosten onwaarschijnlijk dat [erflater] het bestaan van de overeenkomsten niet met [geïntimeerde] heeft besproken en dat [geïntimeerde] deze afschrijvingen van de en/of-rekening nooit heeft opgemerkt. Een voldoende begrijpelijke uitleg hierover of verklaring daarvoor van de zijde van [geïntimeerde] , ontbreekt. Gelet op het voorgaande en op de andere stellingen en de andere bewijsstukken die in deze procedure naar voren zijn gebracht, heeft [geïntimeerde] het bewijsvermoeden naar het oordeel van het hof niet weerlegd. Dexia heeft voldoende aangetoond dat [geïntimeerde] voor 15 februari 2000 bekend is geworden met de overeenkomsten, dit in de zin dat daarmee de verjaringstermijn voor het inroepen van de vernietiging is gaan lopen. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de verjaringstermijn niet voor 15 februari 2003 is gestuit. Daarmee staat vast dat de verjaringstermijn vóór 15 februari 2000 is gaan lopen en dat het vernietigingsrecht ten tijde van het uitbrengen van de vernietigingsverklaring van 15 februari 2003 al was verjaard.
3.7.
Nu [geïntimeerde] geen vordering heeft op Dexia, heeft zij ook geen recht op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Gelet op het voorgaande zal het hof toewijzen de door Dexia gevorderde verklaring voor recht dat zij met betrekking tot de overeenkomsten aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [geïntimeerde] is verschuldigd.
De conclusie
3.8.
Het hoger beroep slaagt. Omdat [geïntimeerde] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [geïntimeerde] tot betaling van de proceskosten van zowel het hoger beroep als de procedure bij de kantonrechter veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [1]
3.9.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
vernietigt de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 2 juni 2022 en 21 september 2023 en beslist als volgt:
4.2.
verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [geïntimeerde] is verschuldigd;
4.3.
veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan Dexia van alles wat Dexia op grond van het vonnis van 21 september 2023 aan [geïntimeerde] heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling door Dexia tot aan de dag van terugbetaling;
4.4.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van Dexia tot aan de uitspraak van de kantonrechter:
€ 126,- aan griffierecht
€ 121,39 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding
€ 660,- aan salaris van de gemachtigde van Dexia;
en tot betaling van de volgende proceskosten van Dexia in hoger beroep:
€ 798,- aan griffierecht
€ 129,86 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]
€ 3.225,- aan salaris van de advocaat van Dexia (2,5 procespunten x het toepasselijke tarief II);
4.5.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.6.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.7.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.P. Giesen, M. Schoemaker en A.A.J. Smelt, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
12 mei 2026.

Voetnoten

1.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.