ECLI:NL:GHARL:2026:316

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
200.339.371
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:228 BWArt. 5:125 BWArt. 20 richtlijn 2003/54/EGArt. 86g Elektriciteitswet 1998Art. 66f Gaswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsvordering en geschil over facturen recreatiewoning De Tolplas

De zaak betreft een geschil tussen Recreatiepark De Tolplas B.V. en een eigenaar van een recreatiewoning over onbetaalde facturen voor de jaren 2020 tot en met het derde kwartaal 2022. De Tolplas vordert betaling van € 4.323,84 plus buitengerechtelijke incassokosten, terwijl de eigenaar betwist dat hij dit bedrag verschuldigd is.

De kantonrechter wees de vorderingen deels toe en deels af, waarbij onder meer werd geoordeeld dat De Tolplas te veel had gefactureerd voor energie en tuinonderhoud. Beide partijen stelden hoger beroep in. Het hof oordeelt dat De Tolplas als beheerder van een privaat netwerk de eigenaar niet verplicht kanen een eigen aansluiting te regelen, maar dat zolang de eigenaar energie via De Tolplas afneemt, hij gehouden is de gefactureerde tarieven te betalen.

Verder wordt geoordeeld dat de eigenaar geen aanspraak kan maken op volledige teruggave van energiebelastingvermindering vanwege de vaststellingsovereenkomst. De vorderingen van De Tolplas voor tuinonderhoud en energiekosten worden alsnog toegewezen. Het hof wijst het incidenteel hoger beroep van de eigenaar af en veroordeelt hem tot betaling van het volledige bedrag en proceskosten. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De eigenaar wordt veroordeeld tot betaling van € 4.323,84 plus rente en proceskosten aan De Tolplas, met afwijzing van zijn incidenteel hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.339.371
zaaknummer rechtbank 10041818
arrest van 20 januari 2026
in de zaak van
Recreatiepark De Tolplas B.V.
die is gevestigd in Hoge Hexel
advocaat: mr. M.H.G. Plieger
en
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. C.G. Mensink

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Zowel de Tolplas als [geïntimeerde] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo (hierna: de kantonrechter) op 19 september 2023 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep
  • de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep
  • de akte overlegging producties A1 t/m D van de Tolplas
  • de akte overlegging producties 11 t/m 17 van [geïntimeerde]
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 4 juni 2025 is gehouden
  • een akte uitlating producties van de Tolplas
  • een antwoordakte van [geïntimeerde]
1.2.
Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[geïntimeerde] heeft een recreatiewoning op het park van De Tolplas. Hij woont daar, op grond van een publiekrechtelijke vergunning, permanent. Volgens De Tolplas heeft [geïntimeerde] facturen over de jaren 2020, 2021 en 2022 (tot en met het derde kwartaal) gedeeltelijk onbetaald gelaten en zij maakt daarom aanspraak op betaling ervan. [geïntimeerde] betwist dat hij het openstaande bedrag van € 4.323,84 verschuldigd is en voert daarvoor verschillende argumenten aan.
2.2.
De Tolplas heeft bij de kantonrechter gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld aan haar te betalen een bedrag van in hoofdsom € 4.323,84 in verband met openstaande facturen over bovengenoemde periode. Ook vordert zij de buitengerechtelijke incassokosten van € 500 of een door de rechter vast te stellen redelijk bedrag.
2.3.
De kantonrechter heeft deze vorderingen voor een deel toegewezen en voor een deel afgewezen. De kantonrechter heeft ten aanzien van de facturen voor energie (vastrecht, heffingskorting en werkelijk gebruik gas en elektriciteit) geoordeeld dat De Tolplas een bedrag van € 2.786,36 bij [geïntimeerde] in rekening heeft gebracht terwijl daarvoor
€ 1.452,78 in rekening gebracht had mogen worden. De Tolplas heeft volgens de kantonrechter dus € 1.333,58 teveel gefactureerd. Daarnaast heeft de kantonrechter beslist dat De Tolplas een bedrag van € 359,85 terzake tuinonderhoud ten onrechte aan [geïntimeerde] heeft gefactureerd. Dit betekent dat op het gevorderde bedrag van€ 4.323,84 in mindering is gebracht in totaal € 1.693,43, zodat [geïntimeerde] is veroordeeld om aan De Tolplas een bedrag van € 2.630,41(€ 4.323,84 minus € 1.693,43) te betalen. De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten is afgewezen. [geïntimeerde] meende dat hij de genoemde facturen terecht onbetaald heeft gelaten omdat hij de daarin genoemde bedragen niet aan De Tolplas verschuldigd is. Daartoe heeft hij verschillende argumenten aangedragen, die door de kantonrechter (deels) zijn verworpen. De bedoeling van het hoger beroep van De Tolplas is dat haar vorderingen alsnog integraal worden toegewezen. [geïntimeerde] wil op zijn beurt met zijn hoger beroep bewerkstelligen dat het bestreden vonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van De Tolplas alsnog integraal worden afgewezen.
2.4.
Het hof zal beslissen dat het principaal hoger beroep van De Tolplas slaagt en dat het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] faalt en licht dat hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Verzoek buiten beschouwing laten akte uitlating producties van De Tolplas
3.1.
[geïntimeerde] heeft het hof verzocht de akte uitlating producties van De Tolplas buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor, omdat De Tolplas een inhoudelijke reactie op de producties van [geïntimeerde] te buiten is gegaan. Dit verzoek wordt niet gehonoreerd. Hoewel de akte uitlating producties van De Tolplas zeer uitgebreid is, kan niet geconcludeerd worden dat de akte een reactie op de producties van [geïntimeerde] te buiten gaat en dat sprake is van strijd met de goede procesorde. Van strijd met het beginsel van hoor en wederhoor is evenmin sprake omdat [geïntimeerde] op de akte heeft kunnen reageren.
achtergrond van het geschil
3.2.
[geïntimeerde] is [in] 2004 eigenaar geworden van een recreatiewoning (hierna ook: de woning) op Recreatiepark De Tolplas, een bungalowpark met recreatiewoningen in Hoge Hexel dat door De Tolplas wordt beheerd. [geïntimeerde] heeft de woning van zijn ouders overgenomen.
3.3.
Tussen De Tolplas en [geïntimeerde] is een ‘individuele beheerovereenkomst Bungalowpark De Tolplas’ van toepassing. Hoewel partijen van mening verschillen over welke versie ervan tussen partijen geldt, is tussen hen niet in geschil dat de tekst van artikel 4.1 en 4.3 van beide versies (nagenoeg) hetzelfde is. Die luiden voor zover van belang als volgt, waarbij de aanvullende tekst in de door De Tolplas ingediende versie
vetis weergegeven:
‘Artikel 4 : Beheervergoeding
4.1
De vergoeding die eigenaar per grondkavel c.q. bungalow aan Tolplas verschuldigd is voor het beheer van de verschillende onderdelen bedraagt (…) (f.1.750,00) exclusief BTW per jaar, per recreatiebungalow te voldoen in halfjaarlijkse termijnen, per één januari en één juli van ieder jaar.
Deze vergoeding is als volgt samengesteld:
1. f. 500,00 als bijdrage voor de instandhouding van de aanwezige centrale voorzieningen op het recreatiepark De Tolplas;
2. f. 500,00 als bijdrage voor (recreatieve) instandhouding van de algemene terreinen en grondstukken van het Bungalowpark waarop zich de recreatiebungalows van de eigenaren van de vereniging bevinden;
3. f. 750,00 als bijdrage voor (recreatief) regulier (klein) onderhoud aan de kavels en tuinonderhoud, echter met inachtneming van hetgeen is verwoord in bijlage 4 c.q. 4.a van de bij de koopovereenkomst van voormelde kavel behorende bijlagenboekje, hetgeen echter de verplichting van de eigenaar tot het onderhoud en dergelijke onverkort laat. (…);
4.3
In de beheervergoeding zijn niet begrepen de verbruikskosten van gas, water, electra, rioolrechten en afvalstoffenheffing, telefoon en/of gemeenschappelijke antenne-installatiealsmede de kosten van vastrecht die normaliter door de betreffende instanties in rekening worden gebracht, alwelke kosten afzonderlijk door Tolplas tegen regulier, particulier, tarief van hier ter plekke opererende (nuts)bedrijven bij eigenaar in rekening gebracht zullen worden danwel door de betrokken (overheids-) instanties aan de eigenaar worden doorberekend.
3.4.
Daarnaast heeft de Vereniging van Eigenaren Bungalowpark De Tolplas (hierna ook: VvE) een algemene beheerovereenkomst met De Tolplas gesloten. De artikelen 1.1, 1.2 en 1.3 luiden als volgt:

Artikel 1 : beheer
1.1
De vereniging draagt hierbij namens haar leden op in beheer, gelijk Tolplas middels de met ieder lid gesloten ‘individuele beheerovereenkomst Bungalowpark De Tolplas’ in beheer heeft aanvaardt, de grondstukken met de daarop gestichte recreatiebungalow van de afzonderlijke leden in Bungalowpark De Tolplas.
1.2
De vereniging draagt hierbij aan Tolplas over de bevoegdheden, die zij als vereniging heeft voor zover het betreft het verrichten van werkzaamheden het beheer overeenkomstig voorgaand lid aangaande, welke werkzaamheden worden verricht voor rekening en risico van de individuele leden van de vereniging.
1.3
Het beheer als in lid 1 genoemd zal worden uitgevoerd op een wijze als nader omschreven in artikel 2 van Pro deze overeenkomst.
3.5.
[geïntimeerde] en De Tolplas hebben diverse procedures gevoerd die onder meer hun oorzaak vonden in geschillen over de door De Tolplas in rekening gebrachte en door [geïntimeerde] betwiste kosten.
3.6.
In het arrest van dit hof van 13 mei 2014 heeft het hof, kort gezegd, overwogen dat [geïntimeerde] vast recht is verschuldigd. Het vastrecht valt niet onder artikel 4.1 van de individuele beheerovereenkomst (de beheervergoeding) maar onder artikel 4.3. [geïntimeerde] moet ook energiebelasting betalen, omdat die ook onder artikel 4.3 valt. De kosten van de licentievergoeding (die De Tolplas aan Stichting Videma betaalt in verband met het doorgeven van radio- en televisiesignalen aan de recreatiewoningen) en de kosten CAI (centrale antenne-installatie) in verband met het fysieke netwerk dat radio- en televisiesignalen vanuit één punt naar de recreatiewoningen brengt, staan volgens het hof los van elkaar en moeten door [geïntimeerde] worden betaald.
3.7.
Op 9 januari 2019 hebben partijen in een procedure bij dit hof een schikking getroffen. Zij zijn, voor zover nu van belang, in een vaststellingsovereenkomst het volgende overeengekomen:
1. vanaf januari 2019 wordt het vastrecht, het reinigingsrecht en de heffingskorting tussen partijen afgerekend zoals in 2017 te doen gebruikelijk (…)
6. Partijen verklaren reeds nu dat zij, (…), over en weer niets meer van elkaar te vorderen zullen hebben ter zake van de in het geding zijnde kwestie tot 1 januari 2019 en zij verlenen elkaar reeds nu en voor alsdan over en weer finale kwijting.
3.8.
In het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel van 2 februari 2021 (hersteld bij vonnis van 23 februari 2021) ging het om een openstaande beheervergoeding uit 2019 van € 373,44. De kantonrechter oordeelde dat [geïntimeerde] de kosten van algemeen beheer moet betalen. Dat geldt ook voor de kosten CAI: de opzegging van [geïntimeerde] kan hem niet baten, omdat de verplichting om de CAI kosten te betalen niet afhankelijk is van het gebruik ervan. Wat betreft het reinigingsrecht oordeelde de kantonrechter dat De Tolplas had moeten uitgaan van de eindafrekening van 2017 en dat zij daarom € 12,47 teveel bij [geïntimeerde] in rekening heeft gebracht, zodat haar vordering met dit bedrag moet worden verminderd. Het verweer van [geïntimeerde] ten aanzien van de andere posten is gepasseerd: de heffingskorting en het rioolrecht zijn niet in rekening gebracht dan wel gecrediteerd. [geïntimeerde] is veroordeeld aan De Tolplas te betalen een bedrag van € 360,97.
de beoordeling
ten aanzien van het principaal hoger beroep van De Tolplas
gebruik van gas en elektriciteit
3.9.
Het (nagenoeg) belangrijkste geschilpunt dat partijen in deze procedure verdeeld houdt zijn de posten voor energie (in het bijzonder het gebruik van gas en elektriciteit) op de facturen die De Tolplas aan [geïntimeerde] heeft gestuurd.
3.10.
De kantonrechter heeft daarover in de kern genomen geoordeeld dat tussen partijen niet in geschil is dat aardgas en elektriciteit via de aansluiting van De Tolplas geleverd worden aan de recreatiewoningen en dat De Tolplas aan de eigenaren van deze woningen bedragen in rekening brengt voor de levering van energie, inclusief energiebelasting. Dit betekent volgens de kantonrechter dat sprake is van een privaat netwerk dat met één aansluiting is verbonden aan een (regionaal) netwerk én dat De Tolplas als een netwerkbeheerder moet worden gekwalificeerd. Vervolgens heeft de kantonrechter overwogen dat De Tolplas als beheerder van een privaat netwerk verbruikers op haar recreatiepark (zoals in dit geval [geïntimeerde] ) een vrije keuze moet bieden van energieleverancier. Die verplichting volgt uit een arrest van het Hof van Justitie EU van 22 mei 2008 [1] waarin is neergelegd dat ook kleine particuliere netten distributienetten zijn in de zin van richtlijn nr. 2003/54/EG (Tweede elektriciteitsrichtlijn) en dat beheerders van die netten (De Tolplas) moeten voldoen aan de verplichtingen die uit die richtlijn voortvloeien, met inbegrip van de verplichting op grond van artikel 20 van Pro die richtlijn om derden toegang tot het net te verlenen. Dat doet De Tolplas niet terwijl [geïntimeerde] als verbruiker het recht heeft om zijn energie bij elke andere leverancier in te kopen. Dat het voor De Tolplas technisch en juridisch onmogelijk is om een EAN-aansluiting (European Article Numbering) te regelen, doet volgens de kantonrechter niet aan het voorgaande af. Dat komt voor haar rekening en risico. Dit betekent dat De Tolplas niet van [geïntimeerde] kan vergen dat hij een eigen aansluiting regelt op het netwerk dat Enexis beheert en dat hij die ook zelf moet betalen. De Tolplas beheert immers het netwerk waarop de recreatiewoning van [geïntimeerde] is aangesloten en daarom heeft zij de plicht aan [geïntimeerde] de vrije keuze te bieden van een energieleverancier via dat netwerk. Zou [geïntimeerde] die keuze ook echt hebben gehad, dan had hij voor OM/Nieuwe Energie gekozen. Vaststaat dat De Tolplas in de periode van 1 januari 2020 tot en met september 2022 wel energie heeft geleverd aan [geïntimeerde] en [geïntimeerde] deze energie ook heeft gebruikt. Als De Tolplas aan haar verplichting zou hebben voldaan [geïntimeerde] de vrije keuze te bieden van energieleverancier, dan zou [geïntimeerde] energie hebben afgenomen van OM/Nieuwe Energie. Het is volgens de kantonrechter dan ook redelijk van die tarieven uit te gaan. Dit betekent dat [geïntimeerde] aan De Tolplas moet betalen het verschil tussen wat hij aan De Tolplas aan energiekosten heeft betaald en wat hij aan OM/ Nieuwe Energie verschuldigd zou zijn geweest. Dit komt neer op € 1.452,78. Anders dan [geïntimeerde] voorstaat, kan hij geen aanspraak maken op de volledige (teruggave van de) vermindering van energiebelasting. Daarvoor heeft de kantonrechter verwezen naar de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst uit 2019 waarin partijen een afspraak hebben gemaakt over de heffingskorting (dat nu de vermindering energiebelasting heet). De Tolplas komt tegen dit oordeel van de kantonrechter op in (subgrief B van) grief II. De plicht om [geïntimeerde] een vrije leverancierskeuze te bieden houdt volgens de kantonrechter verder niet in dat hij (ook automatisch) recht heeft op teruggave van de volledige vermindering van energiebelasting en dat hij niet meer aan dit onderdeel van de vaststellingsovereenkomst gehouden zou zijn.
3.11.
Het hof stelt het volgende voorop. De rechtsverhouding tussen partijen wordt beheerst door de individuele beheerovereenkomst en de algemene beheerovereenkomst. De bewoners zijn van rechtswege lid van de VvE (op grond van artikel 5:125 lid 2 BW Pro) en kunnen zich daaraan niet onttrekken. De eigenaar ( [geïntimeerde] ) heeft zich bovendien akkoord verklaard dat zijn belangen door de VvE worden behartigd (artikel 1.2 van de algemene beheerovereenkomst). Op grond van artikel 1.3 van deze overeenkomst worden de beheeractiviteiten door de VvE gedelegeerd aan De Tolplas.
In de individuele beheerovereenkomst is in artikel 4.3 verder bepaald dat in de beheervergoeding van 4.1 niet zijn begrepen de kosten van ‘
gas, water, electra’. Die kosten zullen afzonderlijk door De Tolplas tegen regulier, particulier, tarief van ‘
hier ter plekke opererende (nuts)bedrijven bij eigenaar in rekening gebracht worden danwel door de betrokken (overheids-) instanties aan de eigenaar worden doorberekend.’ De Tolplas heeft hier invulling aan gegeven door in overleg met de VvE drie energieleveranciers uit te zoeken, waarvan zij vervolgens de tarieven middelen. Dat gemiddelde tarief is het tarief dat door De Tolplas wordt gehanteerd en gefactureerd aan de eigenaren van de recreatiewoning, dus ook aan [geïntimeerde] . Het betoog van [geïntimeerde] dat hij de ‘energieleveringsovereenkomst’ met De Tolplas per 1 januari 2020 heeft opgezegd, faalt. Het staat vast dat hij in de periode 1 januari 2020-september 2022 gas, water en elektra van De Tolplas heeft afgenomen en verbruikt. [geïntimeerde] heeft aan zijn opzegging dus nog geen gevolg gegeven. Feitelijk is van een opzegging per 1 januari 2020 dus nog geen sprake geweest.
3.12.
Verder is het hof van oordeel dat De Tolplas, anders dan zij zelf meent, in ieder geval als particulier netbeheerder optreedt. Zij is weliswaar geen door de ‘overheid aangewezen vennootschap voor het beheer van een of meer netten’ in de zin van artikel 1 sub k van Pro de Elektriciteitswet 1998 en artikel 1 sub e van Pro de Gaswet, maar zij houdt wel een privaat netwerk in stand. Vaststaat verder dat gas en elektriciteit via de aansluiting van De Tolplas (die weer is verbonden aan een (regionaal) netwerk) geleverd worden aan de recreatiewoningen en dat De Tolplas aan de eigenaren van deze woningen bedragen in rekening brengt voor de levering van gas en elektriciteit. Uit genoemd arrest van het Hof van Justitie EU van 22 mei 2008 volgt dat ook kleine particuliere nettendistributienetten zijn in de zin van richtlijn nr. 2003/54/EG [2] (Tweede elektriciteitsrichtlijn) en dat beheerders van die netten moeten voldoen aan de verplichtingen die uit die richtlijn voortvloeien, met inbegrip van de verplichting op grond van artikel 20 om Pro derden toegang tot het net te verlenen. In artikel 86g Elektriciteitswet 1998 (vervallen per 1 januari 2026) en artikel 66f Gaswet (vervallen per 1 januari 2026) was verder wettelijk vastgelegd dat iedere verbruiker keuzevrijheid van leverancier heeft. Onder het tot 1 januari 2026 geldende recht had [geïntimeerde] dus keuzevrijheid van leverancier. In de nieuwe Energiewet (van kracht sinds 1 januari 2026) is in artikel 2.1 een soortgelijke bepaling opgenomen:
een eindafnemer is vrij een leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel te sluiten met een leverancier van zijn keuze. In de Energiewet is eindafnemer gedefinieerd als:
aangeslotene die elektriciteit of gas koopt of wil kopen voor eigen gebruik. [geïntimeerde] heeft dus nog steeds keuzevrijheid van leverancier. Als particuliere beheerder van deze netten dient de Tolplas in ieder geval haar medewerking te verlenen aan die vrije leverancierskeuze. Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat het niet voor rekening en risico van De Tolplas komt als [geïntimeerde] zijn recht op een vrije leverancierskeuze niet kan uitoefenen (rov. 5.21). Met de door De Tolplas overgelegde e- mailcorrespondentie van 7 februari 2024, 16 februari 2024, 19 februari 2024 en 2 april 2025 met (de casemanager Buitendienst Grootzakelijk van) Enexis heeft de Tolplas voldoende onderbouwd dat (i) De Tolplas zelf geen EAN-codes aan bewoners/eigenaren kan uitgeven, (ii) de eigenaar van een woning ( [geïntimeerde] ) een aanvraag voor een eigen aansluiting kan doen en (iii) dat Enexis (die als regionale netbeheerder verantwoordelijk is voor het aanleggen, beheren en onderhouden van het gas-en elektriciteitsnet) beoordeelt of die aanvraag voldoet aan de regels/richtlijnen en of alle andere externe partijen (perceeleigenaren) hieraan mee willen werken. [geïntimeerde] heeft daar onvoldoende steekhoudends tegen in gebracht.
3.13
Dit betekent dat [geïntimeerde] , anders dan hij betoogt, zelf een eigen nutsaansluiting kan aanvragen en het aan regionaal netbeheerder Enexis is om die aanvraag te beoordelen, waarna hem zo mogelijk een EAN-code wordt uitgereikt. Uit de artikelen 3 en 10 en de toelichtingen daarop van de ‘Code levering elektriciteit en aardgas en netbeheer recreatiebedrijven’, waarop [geïntimeerde] een beroep heeft gedaan, blijkt weliswaar dat in het kader van de levering van elektriciteit en aardgas aan het desbetreffende WOZ-object een EAN-code moet worden verbonden, maar niet dat dit door De Tolplas als particulier beheerder van het recreatiepark moet worden verzorgd en bekostigd. Integendeel, er staat juist dat deze EAN-code in het algemeen door de nieuwe leverancier van de recreant zal worden verzorgd. De Tolplas frustreert dus niet het recht van [geïntimeerde] op een eigen aansluiting, zoals [geïntimeerde] betoogt. De Tolplas kan nu eenmaal niet zelf aan [geïntimeerde] een EAN-code toekennen (en deze vervolgens laten registeren in het C-ARM systeem wat volgens [geïntimeerde] heel eenvoudig kan). De akte kettingbeding (in het bijzonder punt 6 op p. 4/5) staat evenmin in de weg aan de vrije keuze van [geïntimeerde] van energieleverancier. In dit artikel staat weliswaar dat de koper van een kavel (ouders [geïntimeerde] en later [geïntimeerde] ) verplicht is om zijn daarop te bouwen recreatiewoning aan te sluiten op de door de vennootschap (De Tolplas) aan te leggen infrastructurele voorzieningen en daarop aangesloten te blijven, maar niet dat de koper gehouden is ook energie van De Tolplas af te nemen. Zoals De Tolplas op de mondelinge behandeling heeft toegelicht, en onvoldoende door [geïntimeerde] is bestreden, is het mogelijk dat er in zo’n geval een tweede aansluiting komt waar [geïntimeerde] dan gebruik van zou kunnen maken. De eerste aansluiting blijft in stand, maar daar wordt dan geen gebruik van gemaakt. Zolang [geïntimeerde] geen eigen aansluiting heeft, is dit niet aan de orde.
3.14.
Dit alles betekent dat De Tolplas niet onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld door hem geen EAN-code toe te kennen. Er is dus geen reden om aan [geïntimeerde] het verschil in wat hij zou zijn verschuldigd bij OM/Nieuwe energieleverancier en wat hij nu aan gas en elektriciteit aan De Tolplas betaalt, te vergoeden. Zolang [geïntimeerde] niet over een eigen aansluiting beschikt (hij heeft er overigens nog geen aangevraagd) en hij energie via de Tolplas afneemt is hij gehouden op grond van de individuele beheerovereenkomst met De Tolplas de tarieven voor gas en elektriciteit te voldoen zoals aan hem in de periode januari 2020-september 2022 zijn gefactureerd. Deze subgrief B. van grief II van De Tolplas slaagt dus. Haar vordering tot betaling van € 1.333,58 door [geïntimeerde] zal daarom alsnog worden toegewezen.
tuinonderhoud
3.15.
Ook subgrief A. van grief II van De Tolplas over het tuinonderhoud slaagt. Omdat [geïntimeerde] ervoor heeft gekozen zijn tuin zelf te onderhouden, kan de De Tolplas hem op grond van artikel 4.1 sub 3 van de individuele beheerovereenkomst geen f. 750 in rekening brengen, maar alleen een jaarlijkse bijdrage van f. 250. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis (rov. 5.12) geoordeeld dat daarom vanaf 1 maart 2021 geen rechtsgrond (meer) bestaat om de onderhoudsbijdrage van f. 750 bij [geïntimeerde] in rekening te brengen. Daartegen grieft De Tolplas niet. Maar wel tegen de overweging die daarop volgt (rov. 5.13) waarin de kantonrechter overweegt dat dit betekent dat De Tolplas voor het jaar 2021 een bedrag van € 189,40 ten onrechte in rekening heeft gebracht en voor het jaar 2022 (de eerste drie kwartalen) een bedrag van € 170,45. Zij heeft immers geen f. 750 voor tuinonderhoud aan [geïntimeerde] in rekening gebracht, aldus De Tolplas. [geïntimeerde] heeft dat niet bestreden.Het hof volgt De Tolplas reeds daarom. Ook staat op de facturen die de Tolplas heeft ingebracht nergens een post ‘tuinonderhoud’ van omgerekend f. 750 vermeld. Dat betekent dat de door De Tolplas gevorderde bedragen van € 189,40 en € 170,45 ten onrechte zijn afgewezen en alsnog zullen worden toegewezen.
buitengerechtelijke kosten
3.16.
De Tolplas stelt zich in grief III op het standpunt dat de kantonrechter ten onrechte de door haar gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten heeft afgewezen. De Tolplas heeft in zijn e-mailbericht van 16 juli 2022 (de ‘veertiendagenbrief’) de formulering ‘binnen 15 dagen na heden’ gehanteerd en zij heeft daarmee volgens de kantonrechter de termijn niet gekoppeld aan het moment van ontvangst of bezorging van de aanmaning, zoals wel is vereist.
3.17.
Deze grief faalt. In genoemd e-mailbericht schrijft (de advocaat van) De Tolplas het volgende:
‘(…) Bijgaand treft u een saldoverzicht aan, waaruit blijkt dat u nog€ 4.323,84aan cliënte verschuldigd bent.
Sommatie
Namens cliënte verzoek- en voor zover nodig sommeer - ik u om er voor zorg te dragen dat voornoemd bedragbinnen 15 dagen na hedenis bijgeschreven op de derdengeldrekening van mijn kantoor, bij gebreke waarvan cliënte hierbij de wettelijke rente en € 500,- buitengerechtelijke kosten aanzegt, alsmede zich het recht voorbehoudt om, zonder verdere aankondiging, rechtsmaatregelen tegen u te treffen.’
3.18.
De veertiendagenbrief is een wettelijk verplichte aanmaning bij consumentenvorderingen, waarbij de schuldenaar ( [geïntimeerde] ) een laatste termijn van 14 dagen krijgt om zonder extra kosten te betalen, waarna buitengerechtelijke kosten verschuldigd zijn, mits de brief aan strikte eisen voldoet, zoals de correcte aanvang van de termijn en de vermelding van de extra kosten. Uit het arrest van de HR van 25 november 2016 [3] volgt dat de door De Tolplas in de e-mail van 16 juli 2022 gehanteerde formulering ‘binnen 15 dagen na heden’ niet geldig is. In deze e-mail had immers
explicietde startdatum van de termijn genoemd moeten worden (bijv. ‘binnen 15 dagen vanaf de dag nadat u deze brief heeft ontvangen’). Dat is hier niet gebeurd.
3.19.
Gelet op het slagen van de grieven IIA en IIB heeft De Tolplas geen belang bij behandeling van grief I. Grief IV over de proceskosten slaagt, zoals hierna zal worden vermeld.
ten aanzien van het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde]
vastrecht
3.20.
[geïntimeerde] stelt zich in grief III op het standpunt dat De Tolplas hem niet separaat vastrecht in rekening mag brengen omdat deze post deel uit maakt van de beheervergoeding in artikel 4.1 van de individuele beheerovereenkomst. [geïntimeerde] verwijst hiervoor naar een arrest van dit hof van 22 maart 2022 (tussen De Tolplas en een andere eigenaar van een recreatiewoning). Maar ook al zou dat niet zo zijn (en zou deze post onder artikel 4.3 van de individuele beheerovereenkomst vallen), dan is hij alleen vastrecht verschuldigd als deze kosten ook daadwerkelijk in rekening zijn gebracht bij De Tolplas. Dat is volgens [geïntimeerde] niet gebleken, zodat De Tolplas het vastrecht niet aan [geïntimeerde] mocht doorberekenen.
3.21.
Dit betoog faalt. Allereerst blijkt uit het in 3.6. genoemde arrest van dit hof van 13 mei 2014 (waartegen geen cassatie is ingesteld en dat dus gezag van gewijsde heeft tussen partijen) dat [geïntimeerde] separaat vastrecht is verschuldigd omdat deze post niet onder artikel 4.1 van de individuele beheerovereenkomst (de beheervergoeding) valt, maar onder artikel 4.3. Daaraan doet het arrest van dit hof van 22 maart 2022 niet af, omdat dit er niet in valt te lezen, nog daargelaten dat deze zaak niet over [geïntimeerde] gaat, maar over een andere eigenaar van een recreatiewoning op De Tolplas. Uit de vaststellingsovereenkomst van 9 januari 2019 blijkt verder dat partijen zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] vanaf 1 januari 2019 vastrecht moet betalen aan De Tolplas, zoals dat in 2017 te doen gebruikelijk was. De Tolplas heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof gemotiveerd betwist dat zij geen netwerkkosten (vastrecht) aan de netbeheerder zou betalen. Dat doet zij wel en de bewoners krijgen hetzelfde berekend als bij elke andere aansluiting in Nederland, aldus De Tolplas. [geïntimeerde] heeft daar onvoldoende tegenin gebracht. Het hof gaat er dus van uit dat De Tolplas zelf voor het onderhoud van het netwerk moet betalen en dat zij deze kosten (het vastrecht) aan de eigenaren van haar park mag doorberekenen. Zolang [geïntimeerde] niet over een eigen aansluiting beschikt, dient hij de kosten van vast recht te betalen op de in de schikking opgenomen wijze (‘zoals in 2017 te doen gebruikelijk’).
Dit betekent dat grief III faalt.
heffingskorting (vermindering energiebelasting)
3.22.
Volgens [geïntimeerde] heeft de kantonrechter ten onrechte geoordeeld dat hij geen aanspraak kan maken op de (volledige teruggave van) vermindering van de energiebelasting (grief II). Daar zou hij immers recht op hebben gehad als hij energie geleverd had gekregen van de leverancier van zijn keuze (OM/Nieuwe energie), waarbij [geïntimeerde] verwijst naar een (ongedateerde) verklaring van de voorzitter van de Coöperatie Hellendoorn op Rozen U.A. (wederverkoper van OM/Nieuwe energieleverancier).
3.23.
Deze grief faalt. Partijen hebben daarover bindende afspraken gemaakt in de vaststellingsovereenkomst. Zolang [geïntimeerde] nog geen eigen aansluiting heeft en zijn energie wordt geleverd via de (enige) aansluiting van De Tolplas komt hij alleen al daarom niet in aanmerking voor de volledige (teruggave van de) vermindering energiebelasting. Voor de motivering ervan verwijst het hof naar rov. 5.24 van de kantonrechter en maakt deze overweging tot de zijne.
reinigingsrecht (kosten verwijderen afval)
3.24.
Volgens [geïntimeerde] mag De Tolplas geen vast bedrag voor het verwijderen van afval in rekening brengen. Afgesproken was immers dat 2/3 deel van het door de Gemeente Wierden gehanteerde tarief kon worden gefactureerd. Bovendien mag het bedrag niet geïndexeerd worden, wat De Tolplas wel heeft gedaan. De kantonrechter heeft (ook) op dit punt een onjuist oordeel gegeven. Hiertegen richt zich grief VI.
3.25.
Ook deze grief faalt. Op grond van de vaststellingsovereenkomst van 9 januari 2019 wordt het reinigingsrecht vanaf januari 2019 tussen partijen afgerekend zoals in 2017 te doen gebruikelijk was. In lijn hiermee en met het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel van 2 februari 2021 heeft De Tolplas als uitgangspunt 2/3 deel van het bedrag van € 165,60 gehanteerd. Anders dan [geïntimeerde] betoogt hoefde De Tolplas niet van het Diftar-systeem uit gaan, omdat de Gemeente in 2017 niet met dit systeem werkte en dit dus niet ‘in 2017 te doen gebruikelijk was’. Het bedrag van € 165,60 heeft De Tolplas geïndexeerd, wat volgens het hof gebruikelijk en toegestaan is om de geldontwaarding te compenseren. De Tolplas heeft aangesloten bij de gehanteerde indexaties van de Gemeente Wierden, zoals blijkt uit de door haar overgelegde e-mail van de Gemeente van 16 juli 2022. Net als de kantonrechter acht het hof dit redelijk. Voor de verdere motivering verwijst het hof naar rov. 5.32 van de kantonrechter en maakt deze tot de zijne.
beroep op vernietiging van de vaststellingsovereenkomst wegens dwaling ongegrond
3.26.
[geïntimeerde] heeft met grief IV een beroep op vernietiging van de vaststellingsovereenkomst gedaan omdat die met betrekking tot het vastrecht en de heffingskorting onder invloed van dwaling tot stand is gekomen. [geïntimeerde] voert hiervoor aan dat De Tolplas heeft verzwegen dat vast recht enkel in rekening wordt gebracht als [geïntimeerde] over een eigen aansluiting zou beschikken, dat De Tolplas zelf niet over een vergunning/ontheffing beschikte om recreatienetten te mogen beheren en om energie
te mogen leveren en niet optrad als wederverkoopster. Ten aanzien van het reinigingsrecht is volgens [geïntimeerde] sprake van een wilsgebrek.
3.27.
Voor een geslaagd beroep op artikel 6:228 lid 1 sub b BW Pro is onder meer vereist dat De Tolplas [geïntimeerde] had behoren in te lichten in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten. [geïntimeerde] heeft onvoldoende onderbouwd toegelicht dat het voor De Tolplas kenbaar was dat voor [geïntimeerde] van doorslaggevend belang was dat vast recht enkel in rekening zou worden gebracht als [geïntimeerde] over een eigen aansluiting zou beschikken, De Tolplas zelf niet over een vergunning/ontheffing beschikte om recreatienetten te mogen beheren en om energie te mogen leveren en niet optrad als wederverkoopster, zodat het beroep op artikel 6:228 lid 1 sub b BW Pro reeds hierop afstuit. [geïntimeerde] heeft verder niet toegelicht van welk wilsgebrek sprake zou zijn in het kader van het reinigingsrecht, zodat het hof ook aan dit beroep als onvoldoende onderbouwd voorbijgaat.
Grief IV faalt dus.
CAI en Videma
3.28.
[geïntimeerde] stelt zich in grief VII op het standpunt dat de post CAI (antenne/tv signalen) beheerskosten zijn, zodat De Tolplas deze kosten niet aan hem op grond van artikel 4.3 van de individuele beheerovereenkomst mag doorbelasten. Hetzelfde geldt voor de post Videma (auteursrechten/licenties), want dat zijn volgens [geïntimeerde] exploitatiekosten die onder de in artikel 4.1 sub 2 van de in de individuele beheerovereenkomst bedoelde ‘beheervergoeding’ vallen.
3.29.
Ook deze grief is tevergeefs voorgesteld. De Tolplas mag deze kosten aan [geïntimeerde] doorbelasten, zodat [geïntimeerde] deze kosten verschuldigd is. De licentiekosten van Videma zien niet op instandhouding of het onderhoud van een centrale of infrastructurele voorziening, maar op het gebruik ervan. Deze kosten vallen daarom onder artikel 4.3 van de individuele beheerovereenkomst. Hetzelfde geldt voor de kosten CAI. Het hof verwijst hiervoor naar de uitspraak van dit hof van 13 mei 2014 (zie 3.6.) en de uitspraak van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel van 2 februari 2021 (zie 3.8.), waartegen geen hoger beroep is ingesteld en die dus gezag van gewijsde tussen partijen hebben. Dat die uitspraken op andere jaren betrekking hebben doet daaraan niet af, omdat de desbetreffende overwegingen zich uitstrekken over de rechtsverhouding van partijen en de vergoedingsplicht in zijn algemeenheid en niet beperkt zijn tot de in rekening gebrachte jaren. Voor de verdere motivering verwijst het hof naar rov. 5.36 van het bestreden vonnis en maakt die tot de zijne.
kosten van algemeen beheer
3.3
Met grief V bestrijdt [geïntimeerde] dat hij de kosten van algemeen beheer verschuldigd is en dat hij zijn kavel niet aan het algemeen beheer mag onttrekken (rov. 5.8 bestreden vonnis). [geïntimeerde] betoogt dat uit rov. 3.11 van een arrest van 22 maart 2022 van dit hof blijkt dat kostenpost algemeen beheer niet kan toegekend worden aan het algemeen beheer, maar valt als individueel beheer onder artikel 4.1 sub 3 (recreatief) regulier (klein) onderhoud aan de kavels en tuinonderhoud). Het arrest van 22 maart is gewezen tussen de Toplas en een andere bewoner en heeft dus geen gezag van gewijsde in de onderhavige procedure. [geïntimeerde] benoemt verder dat de kantonrechter in rov. 5.8 van het bestreden vonnis heeft verwezen naar rov. 4.1 van het eindvonnis van een collega kantonrechter van 2 februari 2021 in een andere zaak tussen partijen. In dat vonnis is in rov. 4.11 geoordeeld dat [geïntimeerde] moet meebetalen aan de algemene beheerkosten. Het verweer van [geïntimeerde] dat hij zijn kavel permanent bewoont en geen gebruik maakt van centrale voorzieningen werd daarin verworpen. [geïntimeerde] betoogt dat dat vonnis van 2 februari 2021 is gebaseerd op onjuiste beweringen van de Tolplas: (1) zijn kavel valt niet onder het algemeen beheer, omdat het eigendom van [geïntimeerde] is en (2) artikel 4.1 sub 1 (instandhouding aanwezige centrale voorzieningen) en sub 2 ((recreatieve) instandhouding algemene terreinen en grondstukken), heeft alleen betrekking op algemeen beheer en niet op het beheer betreffende zijn eigendom in artikel 4.1 sub 3.
3.31
Deze grief is lastig te doorgronden. [geïntimeerde] erkent in randnummer 80 van zijn memorie van grieven in incidenteel appel in ieder geval dat hij de kostenpost “centrale voorzieningen/terrein” moet betalen voor het overeengekomen algemeen beheer zoals bedoeld in artikel 4 sub Pro 1 en 3 (het hof begrijpt dat [geïntimeerde] hier kennelijk “2” in plaats van “3” bedoelt). Klaarblijkelijk bedoelt [geïntimeerde] met zijn grief V aan te vechten dat hij op grond van artikel 4.1 sub 3 van de individuele beheerovereenkomst het door de kantonrechter toegewezen bedrag van f 250,- voor kosten van algemeen toezicht en controle door/namens de beheerder verschuldigd is. Het hof leidt dit af uit de reactie van [geïntimeerde] op grief IIA in principaal appel (in randnummers 22 t/m 25 van de memorie van antwoord van [geïntimeerde] ). Voor zover [geïntimeerde] dit inderdaad bedoelt, wordt de grief verworpen. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat [geïntimeerde] de bijdrage van f 750,- voor (recreatief) regulier (klein) onderhoud aan de kavels en tuinonderhoud niet verschuldigd is en dat hij in plaats daarvan (naast een borg) alleen een bijdrage van f 250,- ter dekking van kosten van algemeen toezicht en controle door/namens beheerder verschuldigd is. Dit omdat dit uit bijlage 4a, waarnaar in artikel 4.1 sub 3 wordt verwezen, voortvloeit. [geïntimeerde] heeft onvoldoende grondslag aangevoerd om aan te nemen dat hij ook de toegewezen f 250,- niet verschuldigd is. Het vonnis van de kantonrechter van 2 februari 2021 heeft gezag van gewijsde tussen partijen en het hof ziet ook los gezien daarvan geen aanleiding om anders te oordelen: gelet op de bestaande beheerovereenkomsten kan [geïntimeerde] zijn kavel niet aan het algemeen beheer onttrekken, hij is de overeengekomen kosten van algemeen beheer verschuldigd. Verder volgt uit artikel 4.1 sub 3 in samenhang met bijlage 4a duidelijk dat [geïntimeerde] (in plaats van f 750,-) het bedrag van f 250,- verschuldigd is. Voor zover [geïntimeerde] met zijn grief bedoelt tegen nog andere kosten van algemeen beheer te grieven, gaat het hof daaraan voorbij wegens gebrek aan onderbouwing.
BTW
3.32.
In Grief VIII klaagt [geïntimeerde] erover dat de kantonrechter ten onrechte de hiervoor genoemde bedragen van € 359,85 voor tuinonderhoud en € 1.333,58 voor energie zonder BTW heeft verrekend. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.14 en 3.15 is overwogen, zullen deze vorderingen van De Tolplas alsnog worden toegewezen, zodat [geïntimeerde] geen belang meer heeft bij behandeling van deze grief.
Permanente bewoning
3.33.
[geïntimeerde] grieft met grief I tegen de overweging van de kantonrechter in rov. 3.3. van het bestreden vonnis, waarin staat dat de Tolplas de permanente bewoning door [geïntimeerde] zou gedogen, omdat hij niet illegaal permanent woont op het recreatiepark. Gelet op wat in 2.1 is overwogen, heeft [geïntimeerde] geen belang bij zijn grief.
bewijsaanbod
3.34.
Het hof passeert het bewijsaanbod van [geïntimeerde] omdat hij geen concrete stellingen aanvoert, die indien bewezen, tot een andere conclusie kunnen leiden.
de conclusie
3.35.
Het principaal hoger beroep van De Tolplas slaagt en het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] faalt. Omdat [geïntimeerde] zowel in het principaal als in het incidenteel hoger beroep in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [geïntimeerde] tot betaling van de proceskosten zowel in hoger beroep (principaal en incidenteel) als bij de kantonrechter veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [4]
3.36.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
in het principaal en in het incidenteel hoger beroep:
4.1.
vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel van 19 september 2023 en beslist:
4.2.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan De Tolplas van het bedrag van € 4.323,84, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling;
4.3.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van De Tolplas tot aan de uitspraak van de kantonrechter:
€ 487 aan griffierecht
€ 105,31 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]
€ 464 aan salaris van de advocaat van De Tolplas (2 procespunten x € 232)
en tot betaling van de volgende proceskosten van De Tolplas in het
principaal hoger beroep:
€ 798 aan griffierecht
€ 107,32 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]
€ 2.145 aan salaris van de advocaat van De Tolplas (2,5 procespunten x tarief
€ 858)
en tot betaling van de volgende proceskosten van De Tolplas in het
incidenteel hoger beroep:
€ 1.072,50 aan salaris van de advocaat van De Tolplas
4.4.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.5.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. van Rossum, M. Schoemaker en R.J.A. Dil en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.

Voetnoten

1.ECLI:EU:C:2008:298
2.Richtlijn 2003/54 is niet meer van kracht, maar inmiddels vervangen door Richtlijn 2019/944
4.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.