ECLI:NL:GHARL:2026:3462

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
200.363.601
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 lid 1 BWArt. 7:669 lid 3 BWArt. 7:671b lid 9 sub c BWArt. 7:673 lid 7 sub c BWArt. 7:699 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar handelen zonder recht op transitie- of billijke vergoeding

De werknemer werd op staande voet ontslagen wegens het zonder toestemming afsluiten van een leasecontract op naam van de werkgever en belangenverstrengeling bij een overname. Het hof oordeelt dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven, waardoor dit ontslag geen stand houdt.

Desondanks is er een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer. Deze handelingen omvatten belangenverstrengeling door het nastreven van eigen winst via een bemiddelingsprovisie en het bedienen van twee partijen, wat het vertrouwen van de werkgever ernstig schaadde.

De werknemer heeft geen recht op transitievergoeding vanwege het ernstig verwijtbaar handelen en evenmin op een billijke vergoeding, omdat de ontbinding niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Verzoeken tot loonverhoging, vergoeding van huurauto en abonnement leaseauto worden afgewezen. Beide hoger beroepen worden verworpen en partijen worden veroordeeld in hun proceskosten.

Uitkomst: Het hof vernietigt het ontslag op staande voet maar ontbindt de arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar handelen zonder recht op transitie- of billijke vergoeding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.363.601
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn 11689496
beschikking van 1 juni 2026
in de zaak van
[verzoeker]
die woont in [woonplaats]
hierna: [verzoeker]
advocaat: mr. F.B.A.M. van Oss
en
[geïntimeerde] B.V.
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. A. Hofman

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, op 14 oktober 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • het beroepschrift
  • het verweerschrift tevens incidenteel appel
  • het verweerschrift in het incidenteel appel
1.2.
Op 24 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd beschikking te geven.

2.De kern van de zaak

2.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of [verzoeker] op goede gronden op staande voet is ontslagen. Mocht dit niet zo zijn, dan rijst de vraag of een redelijke grond voor ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst aanwezig is.
2.2.
[geïntimeerde] heeft [verzoeker] op staande voet ontslagen. [verzoeker] is hiertegen opgekomen en heeft de kantonrechter verzocht het ontslag op staande voet te vernietigen. Bovendien heeft hij verzocht [geïntimeerde] te veroordelen om hem (i) de overeengekomen werkzaamheden weer te laten verrichten, (ii) zijn loon door te betalen, (iii) zijn leaseauto terug te geven en (iv) € 450 per week te betalen over de periode vanaf 24 maart 2024 tot het moment waarop hij weer over zijn leaseauto kan beschikken. [verzoeker] heeft in een later stadium zijn verzoek vermeerderd, in die zin dat hij nu (v) € 9.000,- in plaats van € 3.000 bruto per maand vermeerderd met vakantietoeslag aan loon wenst en (vi) een veroordeling van [geïntimeerde] om hem € 1.251,24 te betalen voor kosten (abonnement BMW) die hij voor zijn leaseauto heeft gemaakt.
2.3.
[geïntimeerde] heeft een tegenverzoek gedaan voor het geval het verzoek van [verzoeker] zal worden toegewezen. Zij heeft de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te ontbinden vanwege primair verwijtbaar handelen (artikel 7:699 lid 3 sub e BW Pro, hierna de e-grond) en subsidiair een verstoorde arbeidsverhouding (artikel 7:699 lid 3 sub g BW Pro, hierna de g-grond). Verder heeft zij de kantonrechter verzocht te bepalen dat [verzoeker] geen recht heeft op een transitievergoeding en hem te veroordelen tot betaling van in hoofdsom € 2.682,33 vanwege onverschuldigde betaling in verband met inhouding fiscale bijtelling met betrekking tot de leaseauto van [verzoeker] .
2.4.
De kantonrechter heeft het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van het ontslag op staande voet toegewezen en het ontslag op staande voet vernietigd. Het tegenverzoek van [geïntimeerde] is toegewezen op de e-grond. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst met ingang van 10 oktober 2025 ontbonden. Verder heeft de kantonrechter geoordeeld dat [verzoeker] geen recht heeft op de transitievergoeding, omdat hij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Hij heeft evenmin recht op een billijke vergoeding omdat de ontbinding niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [geïntimeerde] . De vordering van [geïntimeerde] vanwege onverschuldigde betaling in verband met inhouding fiscale bijtelling met betrekking tot de leaseauto van [verzoeker] is toegewezen. Omdat de arbeidsovereenkomst per 10 oktober 2025 is ontbonden, is het verzoek van [verzoeker] om te worden toegelaten tot zijn overeengekomen werkzaamheden afgewezen. Dat geldt ook voor de vordering tot vergoeding van het hiervoor vermelde bedrag van € 450 per week en de kosten voor het abonnement voor zijn BMW. De kantonrechter heeft het verzoek van [verzoeker] met betrekking tot de loonsverhoging (€ 9.000,- in plaats van € 3.000,- bruto) afgewezen. [geïntimeerde] is veroordeeld om € 3.000,- bruto aan loon, vermeerderd met de vakantietoeslag aan [verzoeker] te betalen voor de periode van 1 maart 2025 tot 10 oktober 2025.
2.5.
In (principaal) hoger beroep wenst [verzoeker] in de kern primair de ontbinding van de arbeidsovereenkomst van tafel te krijgen en herstel van het dienstverband en subsidiair [geïntimeerde] te veroordelen hem een billijke vergoeding te betalen van
€ 582.000 en de transitievergoeding waarbij moet worden uitgegaan van een bruto maandloon van € 9.000.
2.6.
Het hoger beroep van [geïntimeerde] (het incidenteel hoger beroep) heeft betrekking op de vernietiging van het ontslag op staande voet. Volgens [geïntimeerde] is het ontslag op staande voet wel terecht gegeven omdat het afsluiten van een leasecontract door [verzoeker] op naam van [geïntimeerde] een dringende reden voor dit ontslag oplevert. Zij verzoekt dan ook alle aanspraken van [verzoeker] alsnog af te wijzen.
2.7.
Het hof zal bepalen dat zowel het principaal hoger beroep van [verzoeker] als het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] faalt. De beschikking van de kantonrechter blijft dus in stand. [verzoeker] zal worden veroordeeld in de proceskosten van het principaal hoger beroep en [geïntimeerde] in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep, in beide gevallen volgens het liquidatietarief. Het hof licht hieronder toe hoe het tot deze uitkomst komt.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

achtergrond van het geschil
3.1.
[verzoeker] , geboren in 1961, is op 1 juni 2024 in dienst van [geïntimeerde]
getreden voor 32 uur per week, in de functie van [functienaam] tegen een salaris van € 3.000 bruto per maand. Voor zover in hoger beroep van belang is in de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst het volgende opgenomen:
Artikel 1: Inleidende Pro bepalingen
(…)
De werknemer maakt gebruik van zijn eigen voertuig en ontvangt van werkgever een kaart om zijn voertuig op te laden, voor uitsluitend voor kilometers gereden voor werkgever.
Artikel 2: Duur Pro van de overeenkomst
Deze arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde tijd ingaande 01-06-2024
Deze overeenkomst is voor beide partijen opzegbaar na l jaar met een opzegtermijn van 3 maanden en na deze periode kan een verlenging worden aangeboden voor een dan te bepalen looptijd.
Werknemer heeft nevenwerkzaamheden, werkgever is hiervan op de hoogte en gaat hier mee
akkoord. Tevens heeft werknemer werkgever op de hoogte gebracht dat werknemer in aanraking is geweest met Justitie in verband met het niet opgeven van inkomsten uit het buitenland (…).’
3.2.
Op 11 maart 2025 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief van [geïntimeerde] van dezelfde datum is het volgende vermeld:
‘Hierbij beëindigen wij de arbeidsovereenkomst per direct.
Reden is dat u in opspraak bent geraakt in meerdere zaken over oplichting en fraude zonder dat u ons daar over informeerde (…).
De in opspraak geraakte zaak in [plaats1] richt ons directe schade aan in onze bedrijfsvoering.
Daarnaast is meerdere malen door afdeling HR gevraagd en gemaild naar uw ID gegevens. U heeft deze tot op heden niet verstrekt, het blijkt dat de naam op de loonstrook niet overeenkomt met de persoon waar u zich voor uitgeeft (…)
Op uw verzoek heeft u in december 2024 een auto aangeschaft. Een BMW (...), waar u destijds heeft aangegeven de aanbetaling niet te kunnen voldoen, waarmee uw werkgever hiervoor akkoord heeft gegeven en deze heeft betaald en dat na aanbetaling vanwege de bijtelling en conform arbeidsovereenkomst de lease na uw onderneming overgaat [naam1] B.V. Dit is tot op heden niet gebeurd. In de arbeidsovereenkomst staat duidelijk dat er geen auto van de zaak beschikbaar is gesteld (…).
Daarnaast heeft [naam2] B.V. aangegeven dal u als vertegenwoordiger tekenbevoegd zou zijn namens [naam7] B. K Zie teken document mail adres (...), hiervan was de heer [naam3] niet op de hoogte (bijlage E)’.beoordeling
het ontslag op staande voet is niet onverwijld gegeven
3.3.
Ten aanzien van het ontslag op staande voet ligt in hoger beroep nog enkel de vraag voor of het afsluiten van het financieringscontract/leasecontract ten behoeve van een auto (BMW) voor [verzoeker] op naam van [naam7] B.V. een dringende reden voor een ontslag op staande voet oplevert.
3.4.
[geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat zij bereid was de verschuldigde btw/aanbetaling voor een door [verzoeker] aan te kopen auto voor te financieren. Zij heeft echter nooit toestemming gegeven voor het
op naamvan [naam7] B.V. afsluiten van een financieringscontract/leasecontract voor het resterende aankoopbedrag. [verzoeker] heeft die toestemming ook nergens uit kunnen afleiden. Het zonder medeweten en instemming van [geïntimeerde] ondertekenen van vermeld contract voor eigen persoonlijk belang betreft een zodanige ernstige schending van het vertrouwen dat [geïntimeerde] in [verzoeker] mocht stellen, dat dit volgens [geïntimeerde] een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert.
3.5.
Het hof oordeelt als volgt. Uitgangspunt is dat de werkgever die een werknemer op staande voet wil ontslaan, de arbeidsovereenkomst onverwijld zal moeten opzeggen zodra hij op de hoogte is van een dringende reden tot ontslag. Als er een vermoeden is van een dringende reden, dient het voorafgaande onderzoek en het inwinnen van advies voortvarend te gebeuren.
3.6.
Of partijen, in afwijking van de arbeidsovereenkomst, zijn overeengekomen dat [verzoeker] een leaseauto zou krijgen en dat het leasecontract met (impliciete) instemming van [geïntimeerde] is afgesloten (wat [verzoeker] stelt en [geïntimeerde] betwist), kan in het midden blijven. Uit de processtukken en uit hetgeen op de mondelinge behandeling bij het hof naar voren is gekomen, blijkt immers dat al in januari 2025 bij [naam4] bekend was dat [verzoeker] een leasecontract op naam van [naam7] B.V. had afgesloten. Tijdens de mondelinge behandeling antwoordde [naam4] immers desgevraagd dat op 16 januari 2025 de eerste afschrijving van de leaseovereenkomst binnen kwam, waarna partijen om de tafel zijn gaan zitten. Aan het einde van de zitting heeft [naam4] nogmaals benadrukt dat deze kwestie pas in januari 2025 aan het licht kwam. Dat strookt met zijn reactie op de geluidsopname van [verzoeker] (transcript ‘Geluidsopname 22 januari [naam5] ’) waarin [naam4] zegt dat er een conflict was tussen [naam3] ( [naam3] ,
toevoeging hof) over de BMW en over een factuur inzake commissies. [naam4] trad op als adviseur voor [geïntimeerde] en onderhield de contacten met [verzoeker] zodat bekendheid bij [naam4] toegerekend kan worden aan [geïntimeerde] . Pas op 11 maart 2025 is [verzoeker] op staande voet ontslagen, terwijl [geïntimeerde] dus al in januari 2025 op de hoogte was van de reden die zij aan het ontslag op staande voet ten grondslag legt. [geïntimeerde] heeft niet gesteld dat zij in die tussenliggende periode nog nader onderzoek naar dit verwijt moest doen en zo ja, waarom dat zo lang moest duren, zodat zij te lang heeft gewacht met het geven van het ontslag. De conclusie is dan ook dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven en om die reden geen stand kan houden.
de beoordeling van de e-grond
3.7.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond
voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is (artikel 7:669 lid 3 BW Pro). Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt (artikel 7:669 lid 1 BW Pro). [geïntimeerde] heeft aan haar verzoek primair ten grondslag gelegd dat [verzoeker] verwijtbaar heeft gehandeld (e-grond). Subsidiair heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond).
3.8.
[geïntimeerde] heeft aan haar verzoek tot ontbinding op basis van de e-grond ten grondslag gelegd dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan belangenverstrengeling bij de uitoefening van zijn taken als werknemer van [geïntimeerde] . [verzoeker] heeft met zijn vennootschap [naam1] een overeenkomst gesloten met [naam8] B.V. (de groep waartoe bakkerijketen [naam6] behoorde, hierna [naam8] ) waarbij [naam1] een provisie van € 80.000,00 zou ontvangen als deze bakkerijketen door [geïntimeerde] zou worden overgenomen. In de overeenkomst tussen (de vennootschap van) [verzoeker] en [naam8] van november 2024 is opgenomen dat deze provisie zou vervallen als de deal met [geïntimeerde] niet doorgaat. [verzoeker] streefde bij de overname van bakkerijketen [naam6] door [geïntimeerde] dus een persoonlijk winstbejag na en heeft daarbij de belangen van [geïntimeerde] ondergeschikt gemaakt, aldus [geïntimeerde] . Daarnaast heeft [verzoeker] verwijtbaar gehandeld omdat hij ook voor [naam9] werkte en van [naam9] een fee ontving voor de producten die door [naam9] aan [geïntimeerde] werden verkocht, terwijl het in het belang van [geïntimeerde] was dat [verzoeker] zo goedkoop mogelijk bij [naam9] inkocht. Ten slotte heeft [verzoeker] bij de deal met betrekking tot de aankoop van de voorheen geleaste thermische ovens van bakkerij [naam6] niet transparant en daarmee verwijtbaar gehandeld.
3.9.
[verzoeker] heeft erkend dat hij via zijn vennootschap [naam1] een overeenkomst heeft gesloten met [naam8] om te bemiddelen bij de verkoop van de tot de [naam8] groep behorende bakkerijketen [naam6] aan een derde partij tegen een provisie van
€ 80.000. Hij heeft niet betwist dat deze overeenkomst is opgesteld met het oog op een door [geïntimeerde] te verrichten overname. [verzoeker] meent echter dat dit commercieel zo gaat en dat [geïntimeerde] van deze afspraak met [naam8] had kunnen weten, omdat [verzoeker] een prijslijst aan [geïntimeerde] heeft toegestuurd waaruit duidelijk blijkt dat [verzoeker] aan twee kanten commissie rekent. In deze prijslijst staat namelijk:

Bemiddeling tot stand komen levering derden/betaling door zowel leverancier als wederverkoper (detailhandel)’. Verder meent hij dat [geïntimeerde] wist van zijn nevenwerkzaamheden en het dienen van twee heren. Dat laatste maakt volgens [verzoeker] niet zonder meer dat sprake is van belangenverstrengeling.
3.10.
Het hof is van oordeel dat [verzoeker] zich aan ontoelaatbare belangenverstrengeling heeft schuldig gemaakt bij het bedingen van een provisie (van
€ 80.000) bij [naam8] als de verkoop van bakkerij [naam6] aan [geïntimeerde] zou doorgaan. [geïntimeerde] was er, gelet op de inhoud van de arbeidsovereenkomst, van op de hoogte dat [verzoeker] (via zijn bv’s) nevenwerkzaamheden verrichtte, maar dat is iets heel anders dan het bemiddelen bij een verkoop waarbij [verzoeker] óók optrad als bemiddelaar voor de verkopende partij en op deze wijze met ‘twee petten op’ handelde. Daarmee had [verzoeker] een eigen belang bij het tot stand komen van de overeenkomst, wat op gespannen voet staat met het door [verzoeker] te dienen belang van [geïntimeerde] bij wie hij in dienst was. [geïntimeerde] mocht er op vertrouwen dat bij deze bemiddelingspogingen alleen
haarbelang vooropstond, wat uiteindelijk niet het geval bleek te zijn. Dat zij daarbij mogelijk geen schade heeft geleden, zoals [verzoeker] heeft aangevoerd, doet daar niet aan af. Van belang is dat [verzoeker] door dit handelen het vertrouwen van [geïntimeerde] ernstig heeft beschaamd. Uit het transcript van het gesprek van 22 januari 2025 tussen [naam4] en [verzoeker] blijkt dat [verzoeker] ook wel wist dat zijn handelen ontoelaatbaar was voor [geïntimeerde] . In dat gesprek heeft [naam4] immers expliciet tegen [verzoeker] gezegd dat hij van ‘twee kantjes’ wil eten en dat hij niet ‘twee heren kan dienen’.
3.11.
[verzoeker] meent, zoals gezegd, dat het [geïntimeerde] duidelijk was dat hij aan twee kanten commissie rekent. Het hof ziet dat anders. Uit niets blijkt dat partijen hebben afgesproken dat [verzoeker] bij dergelijke bemiddelingen van beide partijen een beloning zou ontvangen. Anders dan [verzoeker] aanvoert, blijkt dat niet uit de prijslijst die hij per e-mail van 28 augustus 2024 als onderdeel van zijn voorstel voor het afsluiten van een hernieuwde overeenkomst aan [geïntimeerde] heeft gestuurd. Ten eerste is deze e-mail gestuurd in een geheel andere context. Het e-mailbericht bevat een voorstel voor een hernieuwde arbeidsovereenkomst als reactie op de mededeling van [geïntimeerde] over de niet wenselijke situatie van het naast elkaar bestaan van twee andersoortige overeenkomsten, wat mogelijk was op grond van de bestaande arbeidsovereenkomst. [verzoeker] mocht er dan ook niet op vertrouwen dat [geïntimeerde] uit deze e-mail met verwijzing naar een prijslijst begreep dat [verzoeker] provisie van twee kanten kreeg. Ten tweede is het bij een voorstel gebleven en niet is gebleken dat [verzoeker] dit voorstel heeft geaccepteerd. Ten derde, ook al zou [verzoeker] een beroep mogen doen op de prijslijst, dan nog kan hieruit niet afgeleid worden dat [verzoeker] bij het tot stand komen van een overeenkomst/deal
van beide partijencommissie zou ontvangen. Dat leest het hof niet in de prijslijst, die overigens niet uitblinkt in duidelijkheid. Onder het kopje ‘
Bemiddeling tot stand komen levering derden/betaling door zowel leverancier als wederverkoper (detailhandel)’, gaat het veeleer om provisie die [verzoeker]
van[geïntimeerde] ontvangt over bijvoorbeeld levering van zuivel/brood/gebak (€ 0,10 per artikel) of bij bemiddeling verkoop exploitatie (5% van de verkoop) en
nietover provisie die [verzoeker] van de wederpartij ontvangt.
3.12.
Uit het voorgaande volgt dat een redelijke ontslaggrond aanwezig is. Het ‘dienen van twee heren’ kwalificeert het hof als een ontoelaatbare belangenverstrengeling, waardoor [verzoeker] verwijtbaar heeft gehandeld, zodanig dat van [geïntimeerde] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De twee andere door [geïntimeerde] aangevoerde verwijtbare handelingen behoeven geen bespreking meer. Herplaatsing van [verzoeker] ligt niet in de rede, omdat de arbeidsovereenkomst is ontbonden op de e-grond (artikel 7:699 lid 1 BW Pro).
fiscale bijtelling/ afgedragen loonheffing
3.13.
Over de periode december 2024 tot en met februari 2025 heeft [verzoeker] een auto van de zaak genoten. [verzoeker] meent dat de kantonrechter hem ten onrechte heeft veroordeeld een bedrag van € 2.682,33 aan [geïntimeerde] te betalen, vanwege door [geïntimeerde] afgedragen loonheffing met betrekking tot de met de auto verband houdende bijtelling. Volgens [verzoeker] heeft hij inzichtelijk gemaakt dat het privégebruik van de leaseauto onder de 500 km per jaar is gebleven en van een fiscale bijtelling is dan geen sprake. Het betoog van [verzoeker] faalt. [geïntimeerde] heeft toegelicht dat de door [verzoeker] zelf bijgehouden kilometerregistratie niet overeenkomt met de digitale rittenregistratie van de leaseauto, in die zin dat op aanzienlijk meer data door [verzoeker] privéritten zijn afgelegd dan door hem opgegeven. Hiervoor heeft zij verwezen naar de ‘Rapportage Ritregistratie met dagtotalen’. In het licht van deze gemotiveerde betwisting heeft [verzoeker] onvoldoende aangevoerd (ook niet op de mondelinge behandeling) om ervan uit te gaan dat er geen bijtelling zou moeten plaatsvinden.
geen billijke vergoeding
3.14.
Volgens [verzoeker] heeft hij recht op een billijke vergoeding omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] is immers zonder voorafgaand gesprek of waarschuwing overgegaan tot het zwaarste middel, het ontslag op staande voet, terwijl daar geen reden voor was. Deze handelwijze heeft de arbeidsverhouding zwaar onder druk gezet.
Het hof volgt [verzoeker] niet in zijn betoog. [geïntimeerde] heeft namelijk aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst andere feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd dan aan het ontslag op staande voet. Uit wat hiervoor in 3.7. e.v. is overwogen, volgt dat het hof de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e-grond gerechtvaardigd acht. Dat heeft niets te maken met een ten onrechte gegeven ontslag op staande voet. Als hierdoor de arbeidsverhoudingen al zijn verstoord, zoals [verzoeker] betoogt, dan zou dat mogelijk een rol kunnen spelen bij de ontbinding op de g-grond, maar niet bij de ontbinding op de e-grond vanwege verwijtbaar handelen van [verzoeker] waarvan hier sprake is. Voor een billijke vergoeding op grond van artikel 7: 671b BW lid 9 onder c is daarom geen plaats.
geen transitievergoeding
3.15.
Het hof vindt de handelwijze van [verzoeker] waarbij hij bij de deal rondom bakkerij [naam6] ‘twee heren’ heeft gediend niet alleen verwijtbaar maar ook ernstig verwijtbaar. Het gedrag van [verzoeker] heeft ernstig afbreuk gedaan aan het vertrouwen dat [geïntimeerde] in [verzoeker] als commercieel medewerker/manager mocht hebben. [geïntimeerde] moet er immers van op aan kunnen dat [verzoeker] in de uitoefening van zijn functie volledig in haar belang handelt en niet daarnaast uit is op eigenbelang. Dat betekent dat [verzoeker] geen recht heeft op een transitievergoeding (artikel 7:673 lid 7 aanhef Pro en onder c BW)..
geen vergoeding vervangende huurauto en abonnement BMW
3.16.
[verzoeker] heeft zich verder op het standpunt gesteld dat hij onder dwang de leaseauto heeft moeten inleveren. Omdat hij van de ene op de andere dag geen beschikking meer over een auto had, heeft hij kosten voor de huur van een vervangende auto moeten maken. Die kosten komen neer op een bedrag van € 450 per week (totaal € 1.800), exclusief btw. Hij verwijst hiervoor naar een factuur van 20 april 2025.
3.17.
Het hof gaat hier niet in mee. [geïntimeerde] heeft naar aanleiding van deze factuur gemotiveerd verweer gevoerd. Volgens [geïntimeerde] is de factuur afkomstig van ‘ [naam10] ’, maar de naam/adres/woonplaats van deze afzender ontbreken, evenals het KvK-nummer. Daarnaast heeft [verzoeker] niet aangetoond dat hij deze factuur heeft betaald, nu de factuur is gericht aan [naam1] . Gelet op deze betwisting heeft [verzoeker] niet voldoende onderbouwd gesteld dat hij kosten van € 450 exclusief btw per week voor de huurauto heeft gemaakt. Bovendien heeft [verzoeker] , in het kader van zijn schadebeperkingsplicht, niet inzichtelijk gemaakt dat hij voor privéritten deze huurauto nodig had en geen gebruik van een ander vervoermiddel (bijvoorbeeld een taxi voor de ritten naar het ziekenhuis met zijn echtgenote) kon maken.
Datzelfde geldt voor de kosten van het abonnement dat [verzoeker] voor zijn BMW heeft aangeschaft. Niet alleen blijkt uit de door [verzoeker] overgelegde factuur van dit abonnement dat het abonnement door zijn vennootschap [naam1] is afgesloten (en de hiermee gepaard gaande kosten door BMW kennelijk bij [naam1] in rekening zijn gebracht) maar in ieder geval is gesteld noch gebleken dat [verzoeker] met toestemming van [geïntimeerde] dit abonnement heeft afgesloten. De kosten ervan blijven dus voor rekening van [verzoeker] .
loon € 3.000
3.18.
[verzoeker] meent dat hij met ingang van 1 februari 2025 recht heeft op loon van € 9.000 per maand omdat dit met [naam4] is afgesproken. Ter onderbouwing hiervan heeft hij verwezen naar gevoerde e-mailcorrespondentie in januari 2025 tussen hem en [naam4] . [verzoeker] heeft in de tekst van een e-mail van 29 januari 2025 van [naam4] opmerkingen gemaakt. In deze e-mail is het volgende te lezen (waarbij de onderstreepte tekst door [verzoeker] (‘ [verzoeker] ’) is geschreven):
‘Dag [verzoeker] ,
Afgelopen woensdag hebben we overleg gehad inzake de winkels [naam6] die overgenomen zijn waar een afspraak is gemaakt van 5%, maar de termijn was mijn onduidelijk (…).
Als aangesteld commissaris per l november 2024 is mij niet helemaal duidelijk wat de afspraken zijn met jou bedrijf en [naam7] inzake deal [naam6] en andere zaken.
de afspraken met [naam7] zijn in 4 overeenkomsten vastgelegd en hebben we beide met ons volle verstand getekend (…)
Daar mijn salaris hoog was, is het opgedeeld:
1 de eerste overeenkomst staan dus de taken in.
2 De bestaande provisie overeenkomst die voordat ik werd aangenomen 3% was is naar 5% gegaan en is ook zo uitbetaald 1e helft 2024 (provisie was voor omzet wat ik binnen zou halen. (...)
3 een arbeidsovereenkomst met een bruto salaris van €3.000,- volgens de cao 32 uur in de week. januari is cao verhoging door gevoerd, dus salaris is iets hoger
4 een overeenkomst met [naam1] B.V. van € 2.100,- excl per maand
Om dit tot een werkbare oplossing te krijgen en tot afronding van de doorstart [naam6] , is denk goed dit project, project matig vast te stellen hoe de commissie wordt vastgesteld en uitgekeerd over de periode de komende 60 maanden (…)
Mijn voorstel is [naam6] winkels:
Vanaf 1 februari 2025 tot 1 februari 2030 wordt op basis van bovenstaand een maandelijks voorschot wordt € 9000,- euro ex btw betaald, en na 12 maanden door onafhankelijke accountant (…) vastgesteld welke omzet en winst is gedraaid op bovengenoemde locaties door [naam3] ( [naam3] ,
toevoeging hof) geleverd (…)
Commissie overeenkomst vast € 2100,-:
Ook is mij niet duidelijk waarvoor en om problemen te voorkomen, is wel zaak dat hier een goede overeenkomst vast te stellen voor welke werkzaamheden en verwachtingen
hier is mijns inziens geen onduidelijkheid over, zie de door ons beide getekende overeenkomsten.
3.19.
Volgens [geïntimeerde] was de strekking van de e-mail van [naam4] niet om [verzoeker] een onvoorwaardelijk voorstel te doen, maar om ontstane plooien glad te strijken en te bezien of de samenwerking voor de toekomst op meer gestructureerde basis kon plaatsvinden. Die plooien waren ontstaan doordat [verzoeker] via zijn vennootschap [naam1] een provisiefactuur van bijna € 48.000 aan [naam7] had gestuurd vanwege werkzaamheden in verband met de overname [naam6] door [geïntimeerde] .
Maar ook als hetgeen in deze mail staat als een (bindende) afspraak zou moeten worden aangemerkt, dan nog heeft het door [naam4] genoemde voorschot van € 9.000 per maand geen betrekking op het salaris van [verzoeker] uit hoofde van zijn dienstverband, maar op een voorschot op provisie op grond van overeenkomsten die [verzoeker] via zijn vennootschap(pen) met [geïntimeerde] heeft gesloten. Dit blijkt niet alleen uit het feit dat deze e-mail is gestuurd naar aanleiding van een bespreking die had plaatsgevonden na het sturen van genoemde provisiefactuur, maar ook wordt in het e-mailbericht melding gemaakt van ‘overeenkomsten tussen jou bedrijf en [naam7] ’. Bovendien is het maandelijkse voorschot van € 9.000 als een bedrag exclusief btw vermeld wat niet gebruikelijk is bij arbeidsloon.
Dit betekent dat voor het loon dat [geïntimeerde] nog aan [verzoeker] verschuldigd is, moet worden uitgegaan van het in de arbeidsovereenkomst overeengekomen bedrag van € 3.000.
slotsom en proceskosten
3.20.
Het principaal hoger beroep van [verzoeker] slaagt niet. Het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt evenmin. [verzoeker] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het principaal hoger beroep worden veroordeeld. [verzoeker] is het niet eens met de compensatie van de proceskosten in het verzoek in eerste aanleg omdat het ontslag op staande voet geen stand heeft gehouden. Dit ziet het hof anders. Weliswaar is het ontslag op staande voet vernietigd, maar vervolgens is de arbeidsovereenkomst ontbonden terwijl [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Op dat punt brengt de Aanbeveling schikking en proceskosten Wwz van de Kring van kantonrechters mee dat de proceskosten voor rekening van de werknemer ( [verzoeker] ) kunnen komen. Ook heeft [verzoeker] op het punt van zijn verhoogde aanspraak op loon ongelijk gekregen. Al met al acht het hof een compensatie van kosten, net als de kantonrechter, redelijk. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incidenteel hoger beroep worden veroordeeld.
3.21.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing in het principaal en in het incidenteel hoger beroep

Het hof:
in het principaal hoger beroep
4.1.
verwerpt het beroep van [verzoeker] ;
4.2.
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de proceskosten, aan de kant van [geïntimeerde] bepaald op € 851 griffierecht en € 2.580,- voor salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (2 punten x tarief II);
in het incidenteel hoger beroep
4.3.
verwerpt het beroep van [geïntimeerde] ;
4.4.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de proceskosten, aan de kant van [verzoeker] bepaald op € 1.290,- voor salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (1 punt x tarief II);
in het principaal en in het incidenteel hoger beroep
4.5.
verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.A. van Rossum, M.E.L. Fikkers en A. Elgersma en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026.