ECLI:NL:GHARL:2026:4590

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
200.354.338
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:228 lid 2 BWArt. 7:210 lid 2 BWArt. 7:206 BWArt. 6:258 BWArt. 6:267 BW
Verwijzingen
16 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huur van standplaatsen op camping; opzegging duurovereenkomsten en geen onrechtmatig handelen verhuurder

De huurders huurden langdurig standplaatsen op camping ’t Hertenhof, waarop zij caravans en chalets hadden geplaatst. Na een bestuursdwangbesluit tot sluiting wegens brandgevaar heeft de toenmalige eigenaar de camping verkocht aan Van Ee, die de niet opgehaalde eigendommen van de huurders heeft verwijderd.

De huurders stelden dat de huurovereenkomsten niet rechtsgeldig waren beëindigd en dat Van Ee onrechtmatig had gehandeld door het verwijderen van hun kampeermiddelen zonder schadevergoeding. Het hof oordeelde dat sprake was van duurovereenkomsten die rechtsgeldig zijn opgezegd met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn, en dat de brieven van 6 mei 2022 als opzegging gelden.

Verder concludeerde het hof dat Van Ee niet onrechtmatig heeft gehandeld bij het verwijderen van de eigendommen, omdat de huurders na een kort geding voldoende gelegenheid hadden gehad hun spullen op te halen en zij daarna hun eigendomsrechten hadden prijsgegeven. De vorderingen van de huurders werden afgewezen en het vonnis van de kantonrechter werd bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vorderingen van de huurders af wegens rechtsgeldige opzegging en geen onrechtmatig handelen door Van Ee.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.354.338
zaaknummer rechtbank Gelderland 11319739
arrest van 14 juli 2026
in de zaak van

1.[appellant1]

die woont in [woonplaats]

2. [appellant2]

die woont in [woonplaats]

3. [appellant3]

die woont in [woonplaats]

4. [appellant4]

die woont in [woonplaats]

5. [appellant5]

die woont in [woonplaats]

6. ( [appellant6]

die woonde in [woonplaats]

7. [appellant7]

die woont in [woonplaats]

8. [appellant8]

die woont in [woonplaats]
hierna gezamenlijk te noemen: de huurders
advocaat: mr. D.F. Briedé
en
W. van Ee Beheer B.V.
die is gevestigd in Emst
hierna te noemen: Van Ee
advocaat: mr. S.M. van Luijk

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
De huurders hebben bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, op 8 januari 2025 tussen partijen heeft uitgesproken [1] . Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 27 mei 2026 is gehouden.

2.De kern van de zaak

2.1.
De huurders huurden allen gedurende meerdere jaren een standplaats op camping ’t Hertenhof in Vaassen, waarop zij kampeermiddelen (caravans of chalets) hadden geplaatst die niet werden verplaatst. Nadat de gemeente Epe de toenmalige eigenaar van de camping ( [voormalig eigenaar camping] ) met een besluit bestuursdwang had gelast de camping vanwege een brandgevaarlijke situatie te sluiten, hebben gevolmachtigden van [voormalig eigenaar camping] in een brief aan de huurders geschreven dat [voormalig eigenaar camping] de camping niet voortzet en zal verkopen, en dat zij hun spullen van de camping konden halen. Vervolgens heeft [voormalig eigenaar camping] de camping verkocht aan Van Ee. Van Ee heeft de niet opgehaalde eigendommen van de huurders verwijderd.
2.2.
De huurders stellen zich in deze procedure op het standpunt dat de huurovereenkomsten nog van kracht zijn en dat Van Ee onrechtmatig heeft gehandeld, onder meer doordat zij de kampeermiddelen heeft laten verwijderen en geen aanbod tot schadevergoeding heeft gedaan. Van Ee betwist dat.
2.3.
Bij de kantonrechter vroegen de huurders onder meer om de huurovereenkomsten te vernietigen of te ontbinden en Van Ee te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding aan ieder van hen. De kantonrechter heeft alle vorderingen afgewezen. In hoger beroep hebben de huurders hun vordering gewijzigd. Zij vragen nu onder meer om voor recht te verklaren dat de huurovereenkomst niet rechtsgeldig zijn ontbonden of opgezegd en dat Van Ee onrechtmatig heeft gehandeld door (samengevat weergegeven) geen maatregelen te treffen tegen brandonveiligheid, geen huurgenot te bieden, kampeermiddelen te verwijderen en geen reëel aanbod tot schadevergoeding te doen. Verder vragen zij verwijzing naar de schadestaatprocedure voor begroting van de schadevergoeding.
2.4.
Het hof zal beslissen dat de huurovereenkomsten door opzegging zijn geëindigd en dat onvoldoende is onderbouwd dat Van Ee onrechtmatig heeft gehandeld. Daarom zal het vonnis van de kantonrechter worden bekrachtigd. Deze beslissingen zullen hierna worden toegelicht.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Duurovereenkomsten
3.1.
Tussen partijen staat vast dat de huurders ieder voor zich, soms al decennialang, een standplaats huurden op het kampeerterrein. Op die standplaatsen hadden de huurders caravans of chalets gestald, die het hele jaar bleven staan. Daarbij hadden de huurders ook de buitenruimten ingericht, met terrassen en tuinen. Alle huurovereenkomsten zijn mondeling aangegaan, zonder dat daarbij speciale bedingen zijn afgesproken. Partijen zijn het er ook over eens dat de Recron-voorwaarden niet van toepassing zijn op de huurovereenkomsten. [voormalig eigenaar camping] stuurde alle huurders – zonder voorafgaand overleg – jaarlijks een factuur voor het stageld van € 750, telkens te betalen vóór 1 april: het begin van het campingseizoen.
3.2.
Partijen zijn het niet eens over de vraag of sprake was van duurovereenkomsten. Volgens de huurders was dat wel het geval. Volgens Van Ee werden elk jaar opnieuw huurovereenkomsten voor bepaalde tijd – te weten één jaar – aangegaan, die van rechtswege na dat jaar eindigden.
3.3.
De kantonrechter heeft overwogen dat door de automatische verlengingen duurovereenkomsten zijn ontstaan, dus huurovereenkomsten voor onbepaalde tijd. Ook naar het oordeel van het hof is sprake van duurovereenkomsten. Uit het feit dat de caravans nooit werden verplaatst, de huurders ook de buitenruimte hadden ingericht en [voormalig eigenaar camping] alle huurders jaarlijks automatisch een factuur voor het volgende jaar stuurde, blijkt de bedoeling om langdurige huurovereenkomsten aan te gaan. Niet blijkt dat partijen een andersluidende afspraak hebben gemaakt. Dat telkens een huurovereenkomst voor één jaar werd aangegaan, althans dat [voormalig eigenaar camping] die bedoeling had, kan ook niet worden afgeleid uit de tekst op de factuur. Daarop stond namelijk niet meer dan dat de rekening voor het volgende seizoen werd toegezonden, inclusief winterstalling. Dit alles leidt tot de conclusie dat de huurovereenkomsten het karakter van een duurovereenkomst hadden. Anders dan Van Ee betoogt, zijn de huurovereenkomst dus niet van rechtswege, zonder opzegging, per 1 april 2023 geëindigd, enkel doordat voor het seizoen daarna geen nieuwe overeenkomst is aangegaan/factuur is gestuurd.
3.4.
Omdat als onbetwist vaststaat dat partijen bij de aanvang van de huurovereenkomsten niet hebben gesproken over de wijze van beëindiging daarvan, noch over andere bijzondere bedingen, zijn er geen afspraken die door uitleg kunnen worden vastgesteld. De huurders worden dus niet gevolgd in hun klacht dat de kantonrechter ten onrechte de inhoud van de mondelinge overeenkomsten niet door uitleg heeft vastgesteld.
De overeenkomsten zijn niet door ontbinding geëindigd
3.5.
De huurders komen op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de huurovereenkomsten per 6 mei 2022 zijn geëindigd door ontbinding op grond van artikel 7:210 lid 2 BW Pro. Op die datum stuurden de gevolmachtigden van [voormalig eigenaar camping] een brief aan de huurders, inhoudende:
“….Wellicht heeft u vernomen dat de camping op last van de gemeente Vaassen/ Epe is gesloten wegens gevaarlijke omstandigheden.
Deze sluiting in combinatie met de gezondheid en (hoge) leeftijd van de eigenaar de heer
[voormalig eigenaar camping] , heeft [voormalig eigenaar camping] doen besluiten de camping niet voort te zetten en te gaan verkopen.
Dit proces zal de komende tijd in gang gezet worden.
Voor u als campinggast betekent dit dat u niet terug kunt keren op de camping. Wellicht heeft u nog spullen op de camping staan die uw eigendom zijn en die u terug wilt. U kunt hiervoor contact opnemen met ondergetekende om een afspraak te maken (het is n.l. niet toegestaan om in verband met de sluiting zelfstandig het campingterrein te betreden). Samen met ondergetekende en/of iemand van de gemeente Epe kan dan toegang tot het terrein verkregen worden.
Wat er na de verkoop met de camping gaat gebeuren is op dit moment niet bekend. Dit hangt
af van degene die de camping zal gaan kopen. …..”
Vervolgens hebben de gevolmachtigden van [voormalig eigenaar camping] op 1 juli 2022 een brief gestuurd aan de huurders waarin staat:
“…..In onze vorige brief van 6 mei 2022 hebben wij u geïnformeerd over de sluiting van camping’t Hertenhof in Vaassen.
Wij kunnen u nu mededelen dat de camping (onder voorbehoud van een aantal niet nader te
noemen voorwaarden) verkocht is.
Het is zeer waarschijnlijk dat op de locatie Ankerweg 1 te Vaassen een chaletpark wordt
gerealiseerd. Dit betekent dat alle roerende en wellicht ook onroerende zaken verwijderd
zullen gaan worden na de overdracht (wij kennen de concrete plannen van de koper niet)
Daarom (nogmaals) de oproep aan u, indien u als voormalig gebruiker van een plek op
voornoemde camping daar nog spullen heeft staan, u deze nog af kunt komen halen tot
uiterlijk 16 juli 2022
U kunt hiervoor contact opnemen met ondergetekende om een afspraak te maken (liet is n.l.
nog steeds niet toegestaan om in verband met de sluiting zelfstandig het campingterrein te
betreden). Samen met ondergetekende en/of iemand van de gemeente Epe kan dan toegang tot het terrein verkregen worden.
Voor de duidelijkheid: alle zaken die achterblijven op uw voormalige plek op de camping,
zullen na overdracht worden verwijderd. De kosten van verwijdering zullen voor rekening van koper zijn. Per de overdrachtsdatum zal dit dus niet meer uw eigendom zijn en bestaat er geen aanspraak meer op deze zaken….”
Volgens de huurders kan in deze brieven geen ontbinding van de huurovereenkomsten worden gelezen. Bovendien is volgens hen geen sprake van onmogelijk herstel in de zin van artikel 7:206 BW Pro, zoals de kantonrechter heeft aangenomen.
3.6.
Van Ee sluit zich aan bij het oordeel van de kantonrechter en stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat de brieven van 6 mei 2022 (tezamen met de brieven van 1 juli 2022) kunnen worden beschouwd als mededeling van de ontbinding. Bovendien kon [voormalig eigenaar camping] volgens Van Ee de overeenkomst ook op grond van artikel 6:258 BW Pro ontbinden vanwege onvoorziene omstandigheden (de gezondheidstoestand van [voormalig eigenaar camping] ).
3.7.
Naar het oordeel van het hof kan in de brieven van 6 mei 2022 en 1 juli 2022 – voor zover ontvangen door de huurders – geen beroep op ontbinding van de huurovereenkomst worden gelezen. In de brieven wordt geen voldoende duidelijk beroep gedaan op ontbinding. De mededeling dat de camping niet wordt voortgezet, duidt op een opzegging (zoals hierna te bespreken) en niet op een ontbinding vanwege een gebrek dat de verhuurder niet hoeft te verhelpen. De brieven kwalificeren niet als een schriftelijke ontbindingsverklaring in de zin van artikel 6:267 BW Pro. Dat de huurders de mededelingen in die brieven niet als zodanig hoefden te begrijpen, wordt onderstreept door het feit dat Van Ee zich in zijn conclusie van antwoord niet op het standpunt heeft gesteld dat (de gevolmachtigden van) [voormalig eigenaar camping] de huurovereenkomst hebben ontbonden. In die conclusie is alleen het standpunt ingenomen dat de huurovereenkomsten in de brieven van 6 mei 2022 zijn opgezegd. Pas ter zitting heeft de kantonrechter die brieven gekwalificeerd als een ontbinding, bij welk standpunt Van Ee zich vervolgens heeft aangesloten. Omdat voormelde brieven geen ontbindingsmededeling behelzen, kan het hof in het midden laten of [voormalig eigenaar camping] op grond van artikel 7:210 BW Pro in samenhang gelezen met artikel 7:206 BW Pro gerechtigd zou zijn geweest de huurovereenkomsten te ontbinden. Wat betreft de opmerking van Van Ee dat [voormalig eigenaar camping] de overeenkomst ook op grond van onvoorziene omstandigheden had kunnen ontbinden, merkt het hof op dat [voormalig eigenaar camping] dat niet heeft gedaan. Of die mogelijkheid had bestaan, is daarom niet relevant voor de beslissing in deze zaak.
Opzegging
3.8.
Partijen zijn het er niet over eens of de huurovereenkomsten door opzegging zijn beëindigd. Van Ee stelt zich subsidiair op het standpunt dat de hiervoor aangehaalde brief van 6 mei 2022 als een opzegging moet worden gezien. De huurders betwisten dat. Verder stellen de huurders zich op het standpunt dat zij deze brief niet (allemaal) hebben ontvangen. Bovendien mocht [voormalig eigenaar camping] de duurovereenkomsten volgens de huurders niet opzeggen zonder zwaarwegende gronden én een redelijk aanbod tot financiële compensatie. Door dat toch te doen, is de opzegging volgens de huurders niet rechtsgeldig. Tot slot voeren zij aan dat het ontbreken van een opzegbeding (in een mondelinge huurovereenkomst) in strijd is met (Europese) consumentenbescherming. Zij vragen het hof om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de reikwijdte van de consumentenbescherming in geval van een mondelinge overeenkomst.
3.9.
Het hof stelt voorop dat in dit geval sprake was van huur van onbebouwde grond. Zoals hiervoor onder 3.3 overwogen, kwalificeert het hof de huurovereenkomsten als overeenkomsten voor onbepaalde tijd. Op grond van artikel 7:228 lid 2 BW Pro kan een dergelijke huurovereenkomst worden opgezegd tegen een voor huurbetaling overeengekomen dag op een termijn van tenminste een maand. Het betoog van de huurders dat opzegging van een duurovereenkomst als de onderhavige alleen rechtsgeldig is als er een zwaarwegende grond voor opzegging is én compensatie wordt aangeboden, gaat niet op. Daarmee miskennen de huurders de geldende rechtspraak. In de rechtspraak is immers uitgemaakt dat indien de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van artikel 6:248 lid 1 BW Pro kúnnen meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld worden. Zo kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat, dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen, of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. Verder kan een beroep op een uit de wet of een overeenkomst voortvloeiende bevoegdheid de duurovereenkomst op te zeggen, op grond van artikel 6:248 lid 2 BW Pro naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn [2] . De rechtspraak houdt echter niet in dat een wettelijke opzegtermijn (zoals die van artikel 7:228 lid 2 BW Pro) nooit mag worden gehanteerd zonder dat sprake is van een (voldoende) zwaarwegende opzeggingsgrond of aanbod tot (schade)vergoeding. Noch volgt uit de rechtspraak dat mondelinge overeenkomsten alleen mogen worden opgezegd in geval van zwaarwegende gronden en een compensatieaanbod, zoals de huurders hebben betoogd. Het is aan de partij wiens duurovereenkomst overeenkomstig de wet (of contract) is opgezegd, om te onderbouwen dat dat in het licht van artikel 6:248 lid 1 of Pro 2 BW niet had gemogen.
3.10.
Bepalingen van consumentenbescherming maken dit niet anders. Die bepalingen verplichten niet tot het sluiten van schriftelijke overeenkomsten en/of tot het sluiten van opzegbedingen die afwijken van artikel 7:228 lid 2 BW Pro. Omdat geen opzegbeding is overeengekomen, kan, anders dan de huurders betogen, niet worden getoetst aan artikel 6:233 BW Pro (uitgelegd conform de Richtlijn oneerlijke bedingen) en artikel 6:193b tot en met d BW (uitgelegd conform de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken). Ook de Richtlijn informatieplichten (als geïmplementeerd in afdeling 2b van titel 5 van Boek 6 BW) is niet van toepassing, omdat in artikel 6:230h lid 2 aanhef en onder f BW is bepaald dat die afdeling niet van toepassing is op overeenkomsten voor het doen ontstaan, verkrijgen of overdragen van (rechten op) onroerende zaken. [3] Het hof acht het daarom ook niet noodzakelijk om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie vragen te stellen over de uitleg van voornoemde richtlijnen.
3.11.
In dit geval hebben de huurders onvoldoende onderbouwd waarom de huurovereenkomsten niet zonder meer mochten worden opgezegd. Zij hebben daartoe enkel aangevoerd dat zij met het oog op een langdurige huurovereenkomst aanzienlijke investeringen hebben gedaan en dat geen opzegbeding was afgesproken. Dat laatste is als gezegd niet relevant. Artikel 7:228 lid 2 BW Pro geeft juist een opzegregeling voor het geval partijen daarover geen andersluidende afspraken hebben gemaakt. Wat betreft de gestelde investeringen overweegt het hof als volgt. De huurders hebben niet onderbouwd wie van hen op welk moment welke investeringen heeft gedaan. Ook met de taxaties hebben zij onvoldoende duidelijk gemaakt wat de waarde (nog) is. Daarmee hebben zij te weinig concreet gesteld dat en waarom de investeringen maken dat de overeenkomst niet zonder meer kon worden opgezegd. Bovendien hadden ook volgens de door de huurders overgelegde – aan de hand van foto’s verrichte – (en door Van Ee betwiste) taxaties de caravans een waarde van tussen de € 3.500 en € 5.000 (en één van € 7.000). Bij deze waardes valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, tegenover de verwachte hoge investeringskosten van [voormalig eigenaar camping] om de elektrische installatie en de gasinstallaties op het campingterrein te vernieuwen en zijn wens om daarom en mede in verband met zijn hoge leeftijd en slechte gezondheid met de exploitatie te stoppen, niet in te zien dat artikel 6:248 lid 1 dan Pro wel lid 2 BW maakt dat de overeenkomst niet zonder nadere gronden en/of zonder compensatie kon worden opgezegd. Tegen deze achtergrond hebben de huurders ook onvoldoende gemotiveerd gesteld dat [voormalig eigenaar camping] misbruik heeft gemaakt van bevoegdheid door de huurovereenkomsten op te zeggen.
3.12.
Gelet op het voorgaande staat vast dat [voormalig eigenaar camping] de huurovereenkomsten mocht opzeggen. Naar het oordeel van het hof heeft [voormalig eigenaar camping] dat, met de brieven van zijn gevolmachtigden van 6 mei 2022, ook gedaan. De opmerkingen daarin dat [voormalig eigenaar camping] heeft besloten de camping niet voort te zetten, dat dit voor de campinggasten betekent dat zij niet terug kunnen keren op de camping, en dat zij contact kunnen opnemen om hun eigendommen op te halen, kunnen naar het oordeel van het hof niet anders worden begrepen dan dat [voormalig eigenaar camping] de overeenkomst opzegde. Dat aan het einde van die brief staat dat niet bekend is wat er na de verkoop met de camping gaat gebeuren, doet geen afbreuk aan de strekking van opzegging. Volledigheidshalve merkt het hof nog op dat een verhuurder die op grond van artikel 7:228 lid 2 BW Pro de huurovereenkomst opzegt, daarvoor – anders dan de huurders betogen – geen redenen hoeft op te geven.
3.13.
De huurders hebben onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij de brieven van 6 mei 2022 hebben ontvangen. Tijdens de zitting bij de kantonrechter hebben zij in koor gezegd dat zij de brief niet hebben ontvangen. Dat is vervolgens ook in de memorie van grieven gesteld. Tijdens de zitting in hoger beroep is gebleken dat in ieder geval niet juist is dat geen van huurders de brief heeft ontvangen. [appellant7] (ook aanwezig op de zitting bij de kantonrechter) verklaarde ter zitting bij het hof dat zij de brief wél heeft ontvangen. De enige andere aanwezige ter zitting bij het hof, haar vader [appellant8] , zei de brief niet te hebben ontvangen. [appellant5] heeft op 6 mei 2022 om 12.11 uur een email gestuurd aan de gevolmachtigden die kennelijk een reactie was op de door hem (kennelijk per mail) ontvangen brief van 6 mei 2022. De huurders hebben niet betwist dat, zoals Van Ee in haar conclusie van antwoord heeft aangevoerd, [appellant3] , [appellant4] , [appellant5] en [appellant6] , in juni en juli 2022 eigendommen hebben opgehaald en dat [appellant2] dat in oktober 2022 heeft gedaan. Ter zitting hebben [appellant7] en [appellant8] verklaard dat zij ook in juli 2022 al spullen hebben opgehaald. Bovendien staat vast dat de sluiting van de camping bij alle huurders bekend was – het besluit bestuursdwang was op de caravans geprikt en vanaf april 2022 had de gemeente hekken om de camping geplaatst – en dat huurders onderling contact met elkaar hadden. Wat betreft [appellant1] , die kennelijk geen spullen heeft opgehaald, merkt het hof volledigheidshalve nog op dat zij blijkens haar e-mail van 27 november 2023 om de week naar de camping ging. Dit alles in samenhang bezien met het feit dat de huurders niet hebben geconcretiseerd wie van hen de brief van 6 mei 2022 wél en wie van hen die brief niet heeft ontvangen, maakt dat het hof ervan uitgaat dat de (inhoud van de) opzeggingsbrief van 6 mei 2022 alle huurders heeft bereikt.
3.14.
Met de brief van 6 mei 2022 hebben de gevolmachtigden van [voormalig eigenaar camping] de huurovereenkomst per direct opgezegd. Dat zij dat bedoelden blijkt ook uit het feit dat in de brieven van 1 juli 2022 door hen wordt gesproken over de ‘voormalig gebruiker’ en de ‘voormalige plek’ en dat de huurders hun spullen voor 16 juli 2022 moesten weghalen. Zij hebben in ieder geval niet voldoende duidelijk opgezegd tegen een voor huurbetaling overeengekomen dag (de eerstvolgende huurbetalingsdag zou 1 april 2023 zijn geweest). Het hof begrijpt dat Van Ee, die zich op het standpunt stelt dat is opgezegd tegen 1 april 2023, een beroep doet op conversie op grond van artikel 3:42 BW Pro. Het hof volgt dit beroep. Waar niet was toegestaan de huurovereenkomsten per direct op te zeggen, wordt de opzegging per direct geconverteerd in een opzegging per 1 april 2023. Dat zulks jegens de huurders onredelijk zou zijn is door hen niet gesteld althans onvoldoende onderbouwd.
Geen onrechtmatig handelen door Van Ee
3.15.
De huurovereenkomsten zijn dus geëindigd per 1 april 2023. Per 3 oktober 2022 werd Van Ee eigenaar en daarmee, op grond van artikel 7:226 BW Pro, opvolgend verhuurder onder de – rechtsgeldig opgezegde – huurovereenkomsten. Daar mocht ook Van Ee vanuit gaan. Niet valt in te zien waarom op haar – zoals de huurders hebben aangevoerd – de plicht rustte een schriftelijke huurovereenkomst met een opzeggingsregeling op te stellen en alsnog te voldoen aan de in het besluit bestuursdwang genoemde veiligheidseisen. De opzegging per 1 april 2023 was immers een feit op het moment dat Van Ee het terrein van de bewindvoerders van [voormalig eigenaar camping] (de eerdere gevolmachtigden) kocht. Dat brengt met zich dat de huurders de camping voor die einddatum moesten ontruimen. Dat hebben zij niet gedaan. Van Ee is er, op grond van informatie van de gevolmachtigden van [voormalig eigenaar camping] , weliswaar van uitgegaan dat de huurovereenkomsten reeds beëindigd waren toen hij op 3 oktober 2022 eigenaar werd, maar hij is feitelijk niet voor 1 april 2023 overgegaan tot verwijdering van eigendommen van de huurders. De huurders zijn evenmin voor 1 april 2023 overgegaan tot (volledige) verwijdering van hun eigendommen. Naar Van Ee heeft toegelicht is zij vanaf november 2023 begonnen met de verwijdering van achtergebleven goederen, nadat er chalets in brand waren gestoken en zij door de gemeente was aangesproken op de onveiligheid en de aanwezigheid van asbest. Daarop hebben de huurders, nog in november 2023, een kortgedingdagvaarding uitgebracht en gevorderd dat Van Ee wordt verboden om hun caravans te slopen of te verwijderen. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 4 december 2023 het gevorderde verbod tot 30 december 2023 toegewezen. De voorzieningenrechter kwam tot dat oordeel in het licht van het belang van de huurders om hun caravans te bezichtigen, hun eigendommen mee te nemen en foto’s te maken om de geleden schade te kunnen inschatten. Tussen 4 en 30 december 2023 hebben de huurders geen contact opgenomen met Van Ee. Vervolgens heeft Van Ee in 2024 de caravans (gesloopt en) afgevoerd.
3.16.
De huurders stellen zich op het standpunt dat Van Ee daarmee onrechtmatig heeft gehandeld en schadeplichtig is. Van Ee betwist dat.
3.17.
Het hof is van oordeel dat Van Ee in ieder geval vanaf 30 december 2023 mocht aannemen dat de huurders hun eigendomsrechten hadden prijsgegeven. Zij waren immers allemaal op de hoogte van het kortgedingvonnis en de mogelijkheid om vóór 30 december 2023 die eigendommen op te halen en hebben desondanks geen van allen Van Ee verzocht om hen daartoe in de gelegenheid te stellen. Dat Van Ee na 30 december 2023 mocht aannemen dat de huurders hun eigendomsrechten hadden prijsgegeven, geldt des te meer nu uit de verklaringen van de huurders over de aanschafprijzen en -data en uit de op basis van foto’s op verzoek van de huurders uitgevoerde taxaties, blijkt dat de caravans een geringe economische waarde vertegenwoordigden (rond de € 3.500 à € 7.000 per stuk, als zou worden uitgegaan van de op basis van ongedateerde foto’s verrichte taxaties). Dat verklaart dat Van Ee, zoals ter zitting verklaard, aannam dat het, vanwege de hoge kosten van het afvoeren van caravans, niet loonde om ze op te halen. [appellant7] en [appellant8] hebben daarover ter zitting bij het hof opgemerkt dat de waarde van de caravans te laag was om nog te verkopen en/of verplaatsen; omdat hun spullen al waardeloos waren geworden, had ophalen geen zin.
3.18.
Wat betreft de periode voorafgaand aan het kort geding betwist Van Ee dat zij caravans van de huurders heeft beschadigd of verwijderd. Volgens haar is de schade aan de caravans die zichtbaar is op door [appellant8] op 17 december 2023 gemaakte foto’s veroorzaakt doordat derden over de hekken zijn geklommen, in de caravans hebben geslapen en vernielingen hebben toegebracht. Dat er derden op het terrein zijn geweest en schade hebben toegebracht, hebben de huurders erkend. Volgens hen komt door derden veroorzaakte schade echter voor rekening en risico van Van Ee, die het terrein beter had moeten beveiligen, al dan niet met camera’s.
3.19.
Het hof overweegt dat op Van Ee, als eigenaar van het terrein, geen zorgplicht rustte om het terrein (verdergaand) te beveiligen. Daarbij weegt mee dat er hekken om het terrein stonden, dat de huurders wisten dat het terrein al vanaf het einde van het seizoen 2021 niet meer gebruikt was en dat zij in de gelegenheid waren gesteld om hun caravans op te halen. Door hun caravans op dat ongebruikte en afgesloten kampeerterrein te laten staan, in ieder geval na 1 april 2023, hebben zij zelf het risico aanvaard dat hun caravans beschadigd zouden raken. Dat kunnen zij niet op Van Ee afwentelen, temeer niet nu zij Van Ee nooit hebben aangesproken op een veronderstelde verplichting om hun goederen te beveiligen. Bovendien hebben zij, tegenover de betwisting van Van Ee, niet onderbouwd gesteld dat en hoe zij haar ooit hebben laten weten hun caravans nog te willen gebruiken en/of van het terrein af te willen halen.
3.20.
Naar het oordeel van het hof heeft Van Ee wel onrechtmatig gehandeld als zij de eigendommen van de huurders (zonder titel en zonder navraag te doen bij de huurders of zij hun caravans nog wilden ophalen) vóór 1 januari 2024 zou hebben verwijderd of beschadigd. Dat Van Ee dit heeft gedaan, hebben de huurders echter onvoldoende onderbouwd. Zij hebben niet concreet gesteld wie van hen, voorafgaand aan die datum, welke schade heeft geleden die is veroorzaakt door het handelen van Van Ee. Omdat de huurders onvoldoende gemotiveerd hebben gesteld dat Van Ee in die zin onrechtmatig heeft gehandeld, wordt niet toegekomen aan verwijzing naar de schadestaatprocedure.
De conclusie
3.21.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat de huurders in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof de huurders tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [4]
3.22.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland van 8 januari 2025;
4.2.
veroordeelt de huurders tot betaling van de volgende proceskosten van Van Ee:
€ 2.255 aan griffierecht
€ 2.580 aan salaris van de advocaat van Van Ee (2 procespunten x het toepasselijke tarief II)
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. L.J. de Kerpel-van de Poel, M. Schoemaker en M.F.A. Evers, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.

Voetnoten

2.HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:763
3.Zie ook Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 maart 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1465
4.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.