ECLI:NL:GHARL:2026:621

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
200.353.356
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:171 BWArt. 6:30 BWArt. 6:198 BWArt. 6:212 BWArt. 6:150 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over terugbetaling en kosten lijkbezorging in erfrechtelijke nalatenschap

Erflaatster is in 2023 overleden. Zij had aan appellante een volmacht gegeven om haar financiën te regelen. Geïntimeerde, erfgenaam samen met zijn broer, vordert terugbetaling van €17.193,89 van appellante wegens onrechtmatige opnames en overboekingen van de bankrekening van erflaatster.

De kantonrechter wees een deel van de vordering toe (€7.747,39). Appellante ging in hoger beroep tegen dit deel. Het hof oordeelt dat appellante €7.617,86 moet betalen, waarbij enkele bedragen die zij kon onderbouwen in mindering zijn gebracht.

Appellante stelde ook kosten van lijkbezorging en andere uitgaven te hebben voorgeschoten, maar kon niet aantonen dat zij zich op redelijke grond met deze kosten had ingelaten. De kosten van de grafsteen en uitvaart werden daarom niet toegewezen. Verder werd geoordeeld dat appellante niet alle erfgenamen hoefde te dagvaarden in hoger beroep omdat zij geen eigen vorderingen instelde.

Het hof veroordeelde appellante tot betaling van proceskosten en verklaarde de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Het hoger beroep slaagt slechts gedeeltelijk en bevestigt grotendeels het vonnis van de kantonrechter.

Uitkomst: Appellante moet €7.617,86 betalen aan geïntimeerde en proceskosten dragen; overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.353.356
zaaknummer rechtbank Gelderland, kantonrechter zittingsplaats Zutphen, 10997289
arrest van 3 februari 2026
in de zaak van
[appellante] ( [appellante] )
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. J.J. Wisse Smit
en
[geïntimeerde] ( [geïntimeerde] )
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. J.W. Post

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellante] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, (hierna: de kantonrechter) op 15 januari 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord
1.2.
Het hof zal arrest wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[erflaatster] (erflaatster) is [in 2023] overleden. Zij was de moeder van [geïntimeerde] en [broer] ( [geïntimeerde] broer) en de zus van [appellante] . [geïntimeerde] en [broer] zijn de erfgenamen van erflaatster.
2.2.
Erflaatster heeft aan [appellante] een volmacht gegeven om haar financiën te regelen en haar toestemming gegeven haar bankpas met pincode te gebruiken.
2.3.
[geïntimeerde] heeft [appellante] gedagvaard bij de kantonrechter en gevorderd [appellante] te veroordelen aan de nalatenschap van erflaatster € 17.193,89 te betalen. [geïntimeerde] heeft haar broer [broer] als derde in het geding opgeroepen (artikel 118 Rv Pro).
2.4.
Het bedrag van € 17.193,89 is samengesteld als volgt:
€ 3.650 pinopnames van de rekening van erflaatster voor haar overlijden waarover [appellante] geen rekening en verantwoording kan afleggen;
€ 4.000: een week voor het overlijden van erflaatster overgeboekt van de rekening van erflaatster [rekeningnummer1] bij de ABN AMRO Bank) naar de rekening van [appellante] ( [rekeningnummer2] bij de ABN AMRO Bank);
€ 3.908,89 na het overlijden van erflaatster overgeboekt van de rekening van erflaatster naar de rekening van [appellante] ;
€ 5.635: een bedrag in contanten dat is gedoneerd door de bezoekers van de uitvaart van erflaatster en waarover [appellante] geen rekening en verantwoording heeft afgelegd;
€ 253,42: bedrag dat [appellante] ten onrechte heeft ontvangen uit het depositofonds van Dela BV.
2.5.
De kantonrechter heeft deze vorderingen voor een deel van € 7.747,39 (te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 8 maart 2024) toegewezen en voor het overige afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep van [appellante] is dat het toegewezen deel van de vordering alsnog wordt afgewezen.
2.6.
Het hof zal beslissen dat [appellante] aan [geïntimeerde] € 7.617,86 moet betalen en licht dat hierna toe. Het hof laat het vonnis van de kantonrechter voor het grootste deel in stand en beslist voor een klein deel anders.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Is sprake van een processueel noodzakelijk strijdgenootschap (exceptio plurium litis consortium)?
3.1.
[geïntimeerde] vindt dat alle deelgenoten in de nalatenschap van erflaatster, dus ook [broer] , in deze procedure in hoger beroep moeten meedoen. Zij vindt dat [appellante] ook [broer] in dit hoger beroep had moeten dagvaarden.
3.2.
Het hof is het daarmee niet eens. [geïntimeerde] heeft haar rechtsvordering tegen [appellante] bij de kantonrechter ingesteld ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de nalatenschap van erflaatster. Zij is daartoe alleen bevoegd op grond van artikel 3:171 BW Pro. Wie een rechtsvordering instelt
tegeneen nalatenschap moet in beginsel alle erfgenamen dagvaarden. [appellante] kan in dit geval haar hoger beroep tegen het vonnis waarbij de vorderingen die [geïntimeerde] ten behoeve van de nalatenschap heeft gedaan instellen tegen [geïntimeerde] alleen en hoeft in dat hoger beroep niet alle andere deelgenoten in die nalatenschap te dagvaarden. De procedure in hoger beroep is immers niet meer dan een voortzetting van de procedure bij de kantonrechter en [appellante] stelt niet zelf rechtsvorderingen in tegen de nalatenschap; zij beoogt slechts afwijzing van de vorderingen die [geïntimeerde] heeft ingesteld ten behoeve van de nalatenschap en die de kantonrechter heeft toegewezen. Zij stelt niet zelf vorderingen in, Zij beroept zich wel op verrekening van het door haar verschuldigde met bedragen die zij voor de erfgenamen heeft betaald. Als [appellante] een vordering in reconventie zou hebben ingesteld bij de kantonrechter zou zij die vordering wel tegen alle erfgenamen hebben moeten instellen.
Grief I: het bedrag van € 3.908,89
3.3.
Deze grief gaat over het bedrag van € 3.908,89 dat na het overlijden van erflaatster is overgeboekt van de rekening van erflaatster naar de rekening van [appellante] .
3.4.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat [appellante] zich dit bedrag heeft toegeëigend. [appellante] zegt dat dit bedrag is gebruikt voor het betalen van boodschappen omdat er na het overlijden van erflaatster nog familie op bezoek kwam. Zij heeft geen facturen of bonnen overgelegd van deze overboekingen en pinopnames. [appellante] maakt bezwaar tegen de beslissing van de kantonrechter. Uiteindelijk blijft volgens haar slechts een bedrag van € 245,12 over waarvoor zij zich niet kan verantwoorden.
3.5.
[geïntimeerde] heeft bij de kantonrechter gesteld dat na het overlijden van erflaatster de volgende overboekingen van de rekening van erflaatster naar de rekening van [appellante] zijn gedaan:
3.6.
Uit de afschriften van de bankrekening van [appellante] blijkt dat de bedragen van € 34,53, € 45 en € 50 die op 2 mei 2023 zijn overgemaakt niet van de bankrekening van erflaatster naar die van [appellante] maar vice versa zijn gegaan. Die bedragen komen in elk geval in mindering op het bedrag van € 3.908,89, zodat overblijft € 3.779,36. In zoverre slaagt grief 1 van [appellante] .
3.7.
[appellante] voert aan dat zij niet alleen geld heeft opgenomen van de bankrekening van erflaatster, maar daar ook geld op heeft overgemaakt. Het gaat om een bedrag van € 1.269,53 en een bedrag van € 2.114,74. Die bedragen strekken volgens haar in mindering op het bedrag van € 3.779,36 zodat overblijft € 245,12.
3.8.
Zo heeft [appellante] de volgende bedragen overgemaakt:
  • 2 juni 2023 € 10
  • 2 juni 2023 € 220
  • 14 juni 2023 € 420
  • 21 juni 2023 € 490
  • 25 april 2023
totaal € 1.140
3.9.
Op 4 augustus 2023 heeft [appellante] € 2.114,74 overgemaakt van de rekening van erflaatster. Dit bedrag dient volgens haar ter compensatie van de kosten die zij heeft betaald voor het laten graveren van de grafsteen van erflaatster. Zij legt een factuur over van € 2.199 om dat te onderbouwen.
3.9.
Dat [appellante] bedragen heeft overgemaakt op de rekening van erflaatster verhindert nog niet zij zich de bedragen die [geïntimeerde] heeft genoemd en die zijn vermeld in 3.5. onrechtmatig heeft toegeëigend, zoals de kantonrechter heeft beslist. Alle genoemde overboekingen van de bankrekening van erflaatster zijn gedaan na het overlijden van erflaatster; [appellante] was vanaf dat moment niet meer bevoegd te beschikken over de bankrekening van erflaatster; de volmacht die zij had was door het overlijden van erflaatster vervallen. [appellante] onderbouwt daarnaast ook in dit hoger beroep nog steeds niet de opnames en overboekingen die zij heeft gedaan van de bankrekening van erflaatster met facturen of bonnen. Zij legt voor het door haar overgeschreven bedrag van € 2.114,74 wel een factuur over van Elbertsen Grafmonumenten Nijbroek, maar die factuur gaat anders dan zij zegt niet alleen over het graveren van de grafsteen, maar is ook gemaakt voor andere werkzaamheden aan het graf. De bedragen (€ 2.114,74 en € 2.199) komen ook niet overeen en de factuur is van 16 augustus 2023 terwijl de opname van daarvoor is, van 4 augustus 2023. Dat maakt het lastig een verband te zien tussen de beide bedragen. Ten slotte legt zij voor het merendeel van de overboekingen die zij heeft gedaan van de bankrekening van erflaatster niet uit wat de reden daarvoor is. Grief I van [appellante] faalt voor het overige.
Grief II: zorg- en huurtoeslag en huurachterstand
3.10.
Deze grief komt erop neer dat [appellante] naar haar zeggen een bedrag van € 876,08 heeft betaald ten gunste van erflaatster. [appellante] licht dat toe door erop te wijzen dat zij zorg- en huurtoeslagen die erflaatster ten onrechte had ontvangen van haar eigen bankrekening heeft terugbetaald voor een bedrag van € 356 en daarnaast van haar eigen bankrekening de huurachterstand van erflaatster heeft betaald van € 420. Dat zij die bedragen heeft betaald blijkt uit de stukken die zij heeft overgelegd (bankafschriften en facturen). [geïntimeerde] weerspreekt dat niet.
3.11.
In artikel 6:30 BW Pro is bepaald dat een verbintenis ook kan worden nagekomen door een ander dan de schuldenaar, tenzij haar inhoud of strekking zich daartegen verzet. Dat laatste is hier niet het geval. Het zijn geldschulden. Of [appellante] regres kan nemen op de erfgenamen van erflaatster is afhankelijk van hun onderlinge verhouding. [appellante] heeft niet toegelicht dat de onderlinge verhouding in dit geval de erfgenamen verplicht de genoemde bedragen aan [appellante] te vergoeden. Ook volgt uit wat zij stelt niet dat sprake is van zaakwaarneming (artikel 6:198 BW Pro), ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW Pro) of subrogatie (artikel 6:150 BW Pro). Wat [geïntimeerde] daarover zegt leidt er eerder toe dat die verplichting er niet is. Volgens [geïntimeerde] is [appellante] na het overlijden van erflaatster doorgegaan met het beheer van haar financiën, ook al was zij daartoe niet meer bevoegd, omdat de volmacht die zij bij leven van erflaatster daarvoor had was vervallen. [appellante] heeft op vragen van [geïntimeerde] over het beheer van de financiën van erflaatster niet of nauwelijks gereageerd. De som van € 356 en € 420 is € 776. Het blijft onduidelijk hoe het bedrag van € 876,08 dat [appellante] noemt tot stand is gekomen. Grief II faalt.
Grief III: de kosten voor de grafsteen
3.12.
Het hof stelt vast dat [appellante] opdracht heeft gegeven aan Elbertsen Grafmonumenten Nijbroek om werkzaamheden te verrichten voor de grafsteen van erflaatster. Volgens [appellante] gaat het daarbij slechts om het graveren van de gegevens van erflaatster op de grafsteen; [geïntimeerde] betwist dat het slechts gaat om een ‘extra inscriptie’; er is veel meer gedaan. Wat de opdracht precies behelst kan in het midden blijven; uit de factuur van Elbertsen blijkt wel dat er meer is gedaan dan alleen het graveren van de naam van erflaatser op de grafsteen. Het is [appellante] die de opdracht aan Elbertsen heeft verstrekt; de factuur van € 2.199 komt dan ook voor haar rekening. Het is de vraag of zij die kosten kan terugvragen van de erfgenamen.
3.13.
De factuur van Elbertsen voor de werkzaamheden met betrekking tot de grafsteen van erflaatster zijn kosten van lijkbezorging. Artikel 4:7 lid 1 onder Pro b BW merkt de kosten van lijkbezorging, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene, als een ‘schuld van de nalatenschap’ aan. Dat betekent nog niet dat de erfgenamen van erflaatster verplicht zijn de kosten van de lijkbezorging die zijn gemaakt door [appellante] aan haar te vergoeden. Daarvoor is ook nodig dat er een rechtsgrond is waar een verbintenis tot vergoeding uit voortvloeit. Die verbintenis berust niet op artikel 4:7 BW Pro, maar kan in dit geval wel voortvloeien uit het stelsel van de wet en de wel in de wet geregelde gevallen (artikel 6:1 BW Pro). [1] Zo’n in de wet geregeld geval is zaakwaarneming: het zich willens en wetens en op redelijke grond inlaten met de behartiging van het belang van een ander zonder daartoe op grond van een rechtshandeling of een andere in de wet geregelde rechtsverhouding bevoegd te zijn (artikel 6:198 BW Pro). Het hof is gelet op dit in de wet wel geregelde geval van oordeel dat de erfgenamen verplicht zijn de kosten van lijkbezorging die [appellante] heeft gemaakt aan haar te vergoeden voor zover zij zich op redelijke grond heeft ingelaten met de werkzaamheden van Elbertsen voor de grafsteen.
3.14.
Of zij dat heeft gedaan kan het hof niet vaststellen. [appellante] legt niet uit waarom zij deze opdracht aan Elbertsen heeft gegeven. [geïntimeerde] betwist ook dat die werkzaamheden nodig waren. Volgens haar is er geen overleg geweest en zou zij zelf een andere keuze hebben gemaakt. De erfgenamen zijn dan ook niet verplicht aan [appellante] de kosten van Elbersen (deels) te vergoeden. Grief III faalt.
Grief IV: kosten begraven/bloemstuk/Tribuut/GBLT
3.15.
[appellante] stelt dat zij de kosten van het begraven van erflaatster van € 1.149 heeft betaald. Verder heeft zij namens de familie een bloemstuk laten bezorgen bij de uitvaart; de kosten daarvan zijn € 352,50 en die heeft [appellante] zelf betaald. Ook hier rijst de vraag of de erfgenamen verplicht zijn deze bedragen aan [appellante] te vergoeden. Het hof verwijst voor een antwoord op die vraag naar de bespreking van grief III. Het hof oordeelt dat niet duidelijk is geworden of [appellante] zich op redelijke grond heeft ingelaten met de opdracht voor het begraven van erflaatster en het verzorgen van een bloemstuk. De erfgenamen zijn dan ook niet verplicht die kosten aan haar te vergoeden. [geïntimeerde] heeft bovendien nog aangevoerd dat deze kosten zijn gedekt door een uitvaartverzekering.
3.16.
[appellante] stelt dat zij een bedrag van € 32,40 heeft betaald aan Tribuut en een bedrag van € 79,61 aan GBLT. Dat zijn schulden van erflaatster. Ook hier geldt artikel 6:30 BW Pro. Ook voor deze bedragen heeft [appellante] niet toegelicht dat de onderlinge verhouding de erfgenamen verplicht de genoemde bedragen aan [appellante] te vergoeden. Ook volgt uit wat zij over deze schulden stelt niet dat sprake is van zaakwaarneming (artikel 6:198 BW Pro), ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW Pro) of subrogatie (artikel 6:150 BW Pro). Wat [geïntimeerde] daarover zegt leidt er eerder toe dat die verplichting er niet is. Volgens [geïntimeerde] is [appellante] na het overlijden van erflaatster doorgegaan met het beheer van haar financiën, ook al was zij daartoe niet meer bevoegd, omdat de volmacht die zij bij leven van erflaatster daarvoor had was vervallen. [appellante] heeft op vragen van [geïntimeerde] over het beheer van de financiën van erflaatster niet of nauwelijks gereageerd. Grief IV faalt.
De conclusie
3.17.
Het hoger beroep slaagt slechts voor de bedragen van € 34,53, € 45 en € 50. Die bedragen komen in mindering op het bedrag van € 7.747,39, zodat overblijft € 7.617,86.
3.18.
Omdat [appellante] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [2]
3.19.
De procesveroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland van 15 januari 2025 met uitzondering van een bedrag van € 129,53 zodat [appellante] aan [geïntimeerde] € 7.617,86 moet betalen;
4.2.
veroordeelt [appellante] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :
€ 362 aan griffierecht
€ 858 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (1 procespunt x het toepasselijke tarief I)
4.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, M.H.F. van Vugt en S. Kuijpers en is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.

Voetnoten

1.hof Arnhem-Leeuwarden 5 november 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:9521 en hof Arnhem-Leeuwarden 19 oktober 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:9858, rov. 2.9.
2.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.