ECLI:NL:GHARL:2026:701

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
23/2205 en 23/2206
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a Wet BPMArt. 4a Uitvoeringsbesluit BPMArt. 110 VWEUArt. 17 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 267 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid verzoeken teruggaaf BPM bij export afgewezen

Belanghebbende verzocht om teruggaaf van BPM voor twee geëxporteerde auto's, maar diende deze verzoeken te laat in, namelijk na de wettelijk gestelde termijn van dertien weken na uitschrijving uit het Nederlandse kentekenregister. De Inspecteur verklaarde de verzoeken niet-ontvankelijk en de rechtbank Gelderland bevestigde dit, waarbij ook een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd toegekend.

In hoger beroep betoogde belanghebbende dat het Unierecht een recht op teruggaaf geeft zonder de nationale termijn en dat het vertrouwensbeginsel en het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel waren geschonden. Het Hof oordeelde dat de BPM een nationale belasting is en dat de termijn van dertien weken niet in strijd is met het Unierecht, mede gelet op recente arresten van het Hof van Justitie. Het vertrouwensbeginsel en het verdedigingsbeginsel werden verworpen omdat er geen sprake was van onjuist beleid of schending van rechten.

Het Hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Wel werd een vergoeding van € 1.000 toegekend voor de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, en een proceskostenvergoeding van € 233,50. Het griffierecht werd niet teruggegeven. De uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, mr. T.H.J. Verhagen en mr. M. Harthoorn op 3 februari 2026.

Uitkomst: Hoger beroep afgewezen; verzoeken teruggaaf BPM niet-ontvankelijk wegens overschrijding termijn; vergoeding immateriële schade en proceskosten toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummers BK-ARN 23/2205 en 23/2206
uitspraakdatum: 3 februari 2026
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 mei 2023, nummers AWB 20/1880 en 20/1881, ECLI:NL:RBGEL:2023:2678, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale administratieve processen(hierna: de Inspecteur)
alsmede de
Staat der Nederlanden(de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Belanghebbende heeft verzoeken gedaan om teruggaaf van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) wegens het vervallen van de tenaamstelling van een motorrijtuig in het kentekenregister, omdat het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht.
1.2.
De Inspecteur heeft deze verzoeken bij beschikkingen niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
De Inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de beschikkingen ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft daarnaast de Inspecteur en de Staat veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van in totaal € 3.000 en de Inspecteur en de Staat elk veroordeeld tot het betalen van een proceskostenvergoeding van € 418,50 en bepaald dat de Inspecteur en de Staat het griffierecht van in totaal € 708 aan belanghebbende moeten vergoeden.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.6.
Belanghebbende heeft voor de zitting nadere stukken ingediend.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende [naam1] en A.F.J.M. Verhoeven, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam2] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam3] en [naam4] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 5 juni 2018 een verzoek ingediend om teruggaaf van € 773 aan BPM wegens de export van een personenauto van het merk en type Dacia Sandero (hierna: auto 1). Dit verzoek is door de Inspecteur op 6 juni 2018 ontvangen. Volgens dit verzoek is de registratie van het Nederlandse kenteken bij de RDW van auto 1 beëindigd op 22 februari 2018 en is auto 1 op 24 mei 2018 in Roemenië geregistreerd. De Inspecteur heeft vastgesteld dat auto 1 op 23 augustus 2018 in Roemenië is geregistreerd.
2.2.
Belanghebbende heeft op 14 juli 2018 een verzoek ingediend om teruggaaf van € 1.236 aan BPM wegens de export van een personenauto van het merk en type Citroën C4 Cactus (hierna: auto 2). Dit verzoek is door de Inspecteur op 18 juli 2018 ontvangen. Volgens dit verzoek is de registratie van het Nederlandse kenteken bij de RDW van auto 2 beëindigd op 3 maart 2018 en is auto 2 op 5 juli 2018 in Polen geregistreerd.
2.3.
Bij beschikkingen van 10 augustus 2018 (auto 2) en 27 augustus 2018 (auto 1) heeft de Inspecteur de teruggaafverzoeken BPM niet-ontvankelijk verklaard, omdat de verzoeken niet zijn gedaan binnen dertien weken na beëindigen van de tenaamstelling in het Nederlandse kentekenregister. De Inspecteur heeft de verzoeken ook in behandeling genomen als verzoeken om ambtshalve teruggaaf, maar die verzoeken niet ingewilligd, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 14a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet BPM) en artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: het Uitvoeringsbesluit).
2.4.
De Belastingdienst heeft in het kader van een verzoek op basis van de Wet open overheid op 18 januari 2023 een document van de Kennisgroep BPM gepubliceerd. In dit document is – voor zover – hier van belang het volgende opgenomen:

De Kennisgroep BPM heeft het volgende standpunt ingenomen met betrekking tot de beoordeling van een te laat ingediend verzoek om teruggaaf van BPM vanwege export van een personenauto.
Kennisgroep BPM Versiedatum 5 oktober 2020
KG-BPM-2016-150 (3) Teruggaaf van BPM bij export waarbij het verzoek te laat is ingediend.
Casus:Een Nederlandse autohandelaar verkoopt gebruikte auto’s aan een Duitse handelaar die de auto’s vervolgens zonder registratie opneemt in zijn handelsvoorraad. De auto’s worden niet binnen 13 weken op een regulier Duits kenteken duurzaam geregistreerd. Eerst nadat de registratie in Duitsland is voltooid, maar buiten de termijn van 13 weken, verzoekt de Nederlandse handelaar om teruggaaf van bpm.
Vraag:Hoe dient een verzoek om teruggaaf dat te laat is ingediend te worden beoordeeld?
Antwoord:Het te laat indienen van het verzoek om teruggaaf van bpm bij export is een formeel gebrek en resulteert in een niet-ontvankelijkheid van het verzoek. Een ambtshalve beoordeling van het verzoek op de materiële vereisten kan echter alsnog resulteren in een teruggaaf als;
-
het motorrijtuig binnen 13 weken na het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister in de andere lidstaat van de EU of de EER is geregistreerd. Deze registratie voldoet aan richtlijn 1999/37/EG, m.u.v. een kentekenbewijs dat is afgegeven op basis van een tijdelijke inschrijving. (Art. 14a, lid 1 Wet)
-
bij het verzoek bescheiden worden overgelegd waaruit blijkt dat het motorrijtuig is geregistreerd in een andere lidstaat van de Europese Unie of de EER. (Art. 4a, lid 1, letter d UB)
-
bpm is betaald ter zake van de registratie in Nederland op of na 16-10-2006 en geen bpm is teruggegeven dan wel vrijstelling is verleend; (Art. 14a, lid 3 Wet) het terug te geven bedrag tenminste € 50.- bedraagt; (Art. 14a, lid 5 Wet)
-
het motorrijtuig buiten Nederland is gebracht en op het moment van het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister blijkens dit register niet werd aangemerkt als motorrijtuig bestemd voor sloop of motorrijtuig dat wacht op keuring (WOK); (Art. 4a, lid 1, letter a UB)
-
het motorrijtuig op dat moment niet voldeed aan de definitie van schadevoertuig in de zin van de Regeling voertuigen en degene op wiens naam het motorrijtuig te naam was gesteld direct voorafgaand aan het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister dit bij het verzoek om teruggaaf verklaart; (Art. 4a, lid 1, letter b UB)
Toelichting:(interne toelichting; maakt geen onderdeel uit van het antwoord).
De voorwaarde dat het verzoek om teruggaaf van BPM binnen de termijn van 13 weken na het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister moet zijn ingediend, in combinatie met het op dat moment overleggen van bescheiden waaruit de registratie in de andere lidstaat blijkt, impliceert dat ook binnen 13 weken sprake moet zijn van een voltooide registratie in de lidstaat waar het motorrijtuig naartoe is geëxporteerd. Dit vereiste wordt ook buiten de 13 weken termijn bij een ambtshalve beoordeling getoetst.
Een verzoek om ambtshalve teruggaaf op grond van onderdeel 21, Besluit Fiscaal Bestuursrecht kan buiten de 13 weken termijn bij de inspecteur worden ingediend. Bij de ambtshalve beoordeling van de materiële vereisten is de inspecteur gehouden de teruggaaf toe te kennen indien het verzoek, als dit tijdig was geweest, zou zijn toegekend. Tegen de inhoudelijke beslissing van de inspecteur staat echter geen rechtsmiddel open.
Situatie van overmacht:
In de Memorie van Toelichting1[Hof
:voetnoot 1 luidt
: Kamerstukken II 2012/13, 33403, nr. 3]
op de wijziging van artikel 10a Wet BPM per 1-1-2013 is vermeld dat wanneer de termijn van 13 weken wordt overschreden doordat het motorrijtuig niet tijdig geregistreerd kan worden in het andere EU- of EER-land, in dat geval de teruggaaf in beginsel ook daarna nog ambtshalve wordt verleend. Hiermee wordt gedoeld op die situaties waarin de registratietermijn in het andere EU/EER land langer duurt dan 13 weken.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de Inspecteur de verzoeken van belanghebbende om teruggaaf van BPM wegens de export van auto 1 en auto 2 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarnaast is in geschil of de Rechtbank de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en de proceskostenvergoeding juist heeft vastgesteld.
3.2.
Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat zij op grond van het Unierecht recht heeft op de gevraagde teruggaaf aan BPM voor auto 1 en auto 2. Subsidiair is belanghebbende van mening dat zij op grond van het vertrouwensbeginsel recht heeft op de teruggaaf aan BPM. Belanghebbende voert verder aan dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden. Belanghebbende stelt zich ten slotte op het standpunt dat de Rechtbank de vergoeding van immateriële schade en de proceskostenvergoeding te laag heeft vastgesteld. De Inspecteur heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd bestreden en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Beoordeling van het geschil

Recht op teruggaaf op grond van het Unierecht
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat ten aanzien van auto 1 en 2 de inschrijvingen in respectievelijk het Roemeense en Poolse kentekenregister meer dan dertien weken later hebben plaatsgevonden dan de uitschrijving uit het Nederlandse kentekenregister. Vast staat verder dat ook de verzoeken om teruggaaf van BPM voor auto 1 en 2 later dan dertien weken na de uitschrijving van kentekens uit het Nederlandse kentekenregister zijn gedaan. Dit betekent dat belanghebbende naar nationaal recht, ingevolge artikel 14a, lid 1, van de Wet BPM in samenhang met artikel 4a, lid 1, onderdeel c, van het Uitvoeringsbesluit, voor beide auto’s geen recht heeft op teruggaaf van BPM.
4.2.
Belanghebbende stelt dat het recht op teruggaaf van belasting bij uitvoer van een auto rechtstreeks voortvloeit uit het Unierecht en dat de teruggaafregeling van belasting bij uitvoer van auto’s rechtstreeks wordt geregeerd door het Unierecht. Het stellen van voorwaarden door de Nederlandse wetgever, waaronder een termijn van dertien weken, vormt volgens belanghebbende een ongerechtvaardigde belemmering van de algemene beginselen van het Unierecht en komt in strijd met artikel 110 van Pro het VWEU. Onder verwijzing naar de arresten van het Hof van Justitie de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) van 2 februari 2023 (Veronsaajien, ECLI:EU:C:2023:63, inzake de Finse motorrijtuigenbelasting) en van 17 mei 2023 (P.M., ECLI:EU:C:2023:414, inzake de Poolse accijns op personenauto’s) stelt belanghebbende dat de rechtspraak van de Hoge Raad – waarin in andere zin werd geoordeeld – is achterhaald.
4.3.
Het betoog dat het recht op teruggaaf van belasting bij uitvoer van een auto rechtstreeks voortvloeit uit het Unierecht slaagt niet. De BPM wordt niet geheven ter uitvoering van een Unierechtelijke verplichting of op grond van een bevoegdheid die is ontleend aan het recht van de Unie. De heffing van deze belasting vindt uitsluitend haar grondslag in een nationale wettelijke bevoegdheid. De omstandigheid dat artikel 110 van Pro het VWEU de uitoefening van deze bevoegdheid begrenst, brengt niet mee dat het recht van de Unie ten uitvoer wordt gebracht bij het heffen van BPM. Dat is slechts anders indien door de inspecteur of de rechter wordt vastgesteld dat bij de heffing van BPM in een concreet geval de grenzen van artikel 110 van Pro het VWEU zijn overschreden. [1] In zijn arresten van 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:281 en 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:753, oordeelde de Hoge Raad al dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat noch het VWEU noch het Europeesrechtelijke evenredigheidsbeginsel Nederland dwingt tot een (gedeeltelijke) teruggaaf van eerder rechtmatig geheven belasting indien een personenauto wordt overgebracht naar een andere lidstaat.
4.4.
Anders dan belanghebbende bepleit, volgt uit de door haar genoemde arresten van het Hof van Justitie in de zaken Veronsaajien en P.M. niet het tegendeel. Zo oordeelde het Hof van Justitie in de zaak Veronsaajien dat de Finse regeling van motorrijtuigenbelasting – waarin na 10 jaar na eerste ingebruikneming van het motorrijtuig geen teruggaaf meer wordt verleend – niet in strijd is met primair Unierecht. Ook de Poolse regeling in de zaak P.M. – waarin bij uitvoer van een auto in het geheel geen teruggaaf van eerder geheven accijns wordt verleend als die auto in het Poolse kentekenregister is geregistreerd – achtte het Hof van Justitie niet in strijd met primair Unierecht. Gelet hierop, moet ook het standpunt van belanghebbende, dat een vervaltermijn van dertien weken in strijd is met het Unierecht, worden verworpen.
4.5.
Maar zelfs als belanghebbende zou moeten worden gevolgd in haar betoog dat gevallen als hier aan de orde wel vallen binnen de werkingssfeer van het Unierecht, kan haar dat niet baten. Met betrekking tot de termijn van dertien weken overweegt het Hof dat het vaste rechtspraak is van het Hof van Justitie dat, bij gebreke aan een regeling in het Unierecht, het aan de lidstaten is om formeelrechtelijke maatregelen te treffen. Hierbij dienen de beginselen van het Unierecht te worden gerespecteerd. De belangrijkste beginselen zijn het doeltreffendheidsbeginsel en het gelijkwaardigheidsbeginsel. Het doeltreffendheidsbeginsel schrijft voor dat het uitoefenen van rechten die uit het Unierecht voortvloeien niet uiterst moeilijk of onmogelijk mag worden gemaakt. Het gelijkwaardigheidsbeginsel schrijft voor dat de regels voor het uitoefenen van rechten die uit het Unierecht voortvloeien niet ongunstiger mogen zijn dan de regels die gelden voor het uitoefenen van rechten die uit het nationale recht voortvloeien. [2] Het staat de wetgever dan ook vrij onder meer fatale termijnen voor te (doen) schrijven bij het indienen van verzoeken om teruggaaf. Een termijn van dertien weken is lang genoeg om het recht op teruggaaf te kunnen effectueren en voldoet aan het doeltreffendheidsbeginsel. Ook de overige aan het recht op teruggaaf gestelde voorwaarden maken het effectueren van dat recht niet uiterst moeilijk of onmogelijk. Voorts is de termijn, noch enige andere aan het recht op teruggaaf gestelde voorwaarde in strijd met het gelijkwaardigheidsbeginsel.
4.6.
Het Hof verwerpt voorts het betoog van belanghebbende dat het niet verlenen van een teruggaaf van BPM leidt tot een aantasting van het recht op eigendom, zoals neergelegd in artikel 17 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In de wettelijke regeling is immers voorzien in de mogelijkheid om via een tijdig ingediend verzoek teruggaaf van BPM te krijgen. Het stellen van een vervaltermijn kan niet worden gezien als een aantasting van het eigendomsrecht en, zoals onder 4.5. reeds is overwogen, komt de termijn van dertien weken niet in strijd met het doeltreffendheidsbeginsel.
Vertrouwensbeginsel
4.7.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij op grond van het vertrouwensbeginsel recht heeft op de verzochte teruggaaf van BPM, omdat – zo begrijpt het Hof – de Belastingdienst volgens belanghebbende het beleid voert dat teruggaaf van BPM ook mogelijk is indien het motorrijtuig niet binnen dertien weken na de uitschrijving uit het Nederlandse kentekenregister is geregistreerd in het buitenland en het verzoek ook niet binnen die termijn van dertien weken is gedaan. Belanghebbende verwijst daarbij naar het op 10 juni 2025 gepubliceerde kennisgroepstandpunt van de Kennisgroep Auto (KG:013:2025:2).
4.8.
De Inspecteur heeft gemotiveerd weersproken dat de Belastingdienst beleid hanteert op grond waarvan verzoeken om teruggaaf van BPM die worden gedaan nadat de termijn van dertien weken na uitschrijving uit het Nederlandse kentekenregister is verstreken in alle gevallen worden verleend. Alleen in gevallen waarin het verzoek na de termijn van dertien weken wordt gedaan, maar de inschrijving in het buitenlandse kentekenregister wel binnen de termijn van dertien weken heeft plaatsgevonden, wordt volgens de Inspecteur – ambtshalve – een teruggaaf van BPM verleend. Een teruggaaf van BPM wordt daarnaast ook – ambtshalve – verleend indien, als gevolg van een situatie van overmacht, de inschrijving in het buitenlande kentekenregister niet binnen de termijn van dertien weken plaats heeft kunnen vinden. De Inspecteur betwist dat in dit geval met betrekking tot auto 1 en auto 2 als gevolg van overmacht de registratie in het buitenlandse kentekenregister niet tijdig plaats heeft kunnen vinden. Er bestaat daarom volgens de Inspecteur geen aanleiding om belanghebbende de gevraagde teruggaaf van BPM alsnog te verlenen op grond van het vertrouwensbeginsel.
4.9.
Het Hof is van oordeel dat in het door belanghebbende genoemde kennisgroepstandpunt geen beleid is opgenomen dat erop neerkomt dat de Belastingdienst in alle gevallen een teruggaaf van BPM verleent, indien een daartoe strekkend verzoek wordt gedaan nadat de termijn van dertien weken na uitschrijving uit het Nederlandse kentekenregister is verstreken. Uit dit kennisgroepstandpunt kan overigens niet worden afgeleid dat de Belastingdienst wel dergelijk beleid hanteert. Uit het onder 2.4. opgenomen kennisgroepstandpunt volgt juist dat in het geval een verzoek om teruggaaf buiten de termijn van dertien weken wordt gedaan, gelijk de Inspecteur betoogt, alleen – ambtshalve – een teruggaaf wordt verleend als de inschrijving in het buitenlandse kentekenregister wel binnen deze termijn heeft plaatsgevonden, of niet binnen die termijn heeft kunnen plaatsvinden als gevolg van overmacht. Belanghebbende heeft verder geen gevallen aangedragen waarin met haar vergelijkbare belastingplichtigen wel een teruggaaf van BPM hebben ontvangen, ondanks dat zowel het verzoek en de inschrijving in het buitenlandse kentekenregister is gedaan buiten de termijn van dertien weken na uitschrijving uit het Nederlandse kentekenregister. Dit maakt dat ook niet aannemelijk is geworden dat de Belastingdienst niet gepubliceerd begunstigend beleid voert als door belanghebbende betoogd.
4.10.
Het Hof is verder van oordeel dat belanghebbende niet die feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt waaruit volgt dat als gevolg van overmacht de inschrijving van auto 1 en auto 2 in het buitenlandse kentekenregister buiten de termijn van dertien weken heeft plaatsgevonden. Belanghebbende heeft weliswaar ter zitting in algemene termen gesteld dat de registratie van een auto in Roemenië en Polen soms lang kan duren, maar daarmee heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van auto 1 en 2 sprake was van overmacht die er toe heeft geleid dat de registratie van deze auto’s buiten de termijn van dertien weken heeft plaatsgevonden. Belanghebbende voldoet daarom ook niet aan de voorwaarden voor een – ambtshalve – teruggaaf op grond van het beleid dat de Belastingdienst wel hanteert. Het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.
Schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel
4.11.
Belanghebbende meent dat zij op grond van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel voorafgaand aan de afwijzing van de teruggaaf mondeling had moeten worden gehoord. Nu dat niet is gebeurd, is volgens belanghebbende het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel geschonden en moet die schending leiden tot vernietiging van de naheffingsaanslag en de boete.
4.12.
De eerbiediging van de rechten van de verdediging is een algemeen beginsel van Unierecht dat van toepassing is wanneer de inspecteur voornemens is een bezwarend besluit te nemen dat binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt. Dat laatste is het geval wanneer met dat besluit het recht van de Unie ten uitvoer wordt gebracht. [3] Zoals het Hof hiervoor bij 4.3. heeft overwogen, heeft de Inspecteur met het besluit tot weigering van de teruggaaf van BPM het recht van de Unie niet ten uitvoer gebracht. Het beroep van belanghebbende op het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel kan reeds daarom niet slagen.
Vergoeding van immateriële schade in eerste aanleg
4.13.
Belanghebbende betoogt dat de Rechtbank de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg te laag heeft vastgesteld, omdat op grond van het Unierecht een hogere vergoeding moet worden toegekend.
4.14.
De Rechtbank heeft in haar uitspraak met betrekking tot de immateriële schadevergoeding het volgende overwogen:

19. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016[voetnoot
: ECLI:NL:HR:2016:252.]
.
20. Belastinggeschillen moeten binnen een redelijke termijn worden berecht. Als uitgangspunt geldt daarvoor een termijn van twee jaar vanaf het moment dat het bezwaarschrift is ontvangen. In dit geval zijn de bezwaarschriften ontvangen op 10 en 18 september 2018. Sindsdien zijn vier jaren en bijna acht maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn met twee jaren en bijna acht maanden is overschreden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor verlenging van die termijn vanwege onderhandelingen over andere zaken van dezelfde gemachtigde. Van die zaken waren de exportzaken namelijk geen onderdeel[voetnoot weggelaten]
. Uitgaand van een vergoeding van € 500 per halfjaar of gedeelte daarvan, bestaat recht op een schadevergoeding van € 3.000. Dat sprake is van no cure, no pay geeft de rechtbank geen aanleiding om het bedrag te verlagen. De vergoeding van immateriële schade is immers in de eerste plaats bedoeld als signaal aan de rechtspraak dat tijdig beslist dient te worden. De noodzaak daartoe is niet minder in zaken waarin een gemachtigde procedeert op basis van no cure, no pay.
4.15.
Naar het oordeel van het Hof, heeft de Rechtbank met haar hiervoor onder 4.14. aangehaalde overwegingen op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof neemt deze overwegingen dan ook over en maakt deze tot de zijne. Het Hof volgt belanghebbende niet in haar betoog dat op grond van het Unierecht een hogere vergoeding aangewezen is.
Proceskosten in eerste aanleg
4.16.
Met betrekking tot het standpunt van belanghebbende dat de Rechtbank de proceskostenvergoeding te laag heeft vastgesteld, overweegt het Hof dat de Rechtbank voor de hoogte van de proceskostenvergoeding terecht is uitgegaan van het forfaitaire stelsel van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en terecht heeft geoordeeld dat ook op grond van het Unierecht geen aanleiding bestond voor een hogere of integrale vergoeding van de proceskosten voor het beroep in eerste aanleg. Het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming brengt mee dat nationale bepalingen op procesrechtelijk gebied niet ertoe mogen leiden dat de verwezenlijking van de aanspraken die een belanghebbende aan het Unierecht kan ontlenen, onmogelijk of uiterst moeilijk wordt. De regeling van het Bpb, waarbij de vergoeding van proceskosten in beginsel een forfaitair karakter heeft, voldoet aan deze eis. [4] Daarbij is van belang dat in geval van bijzondere omstandigheden de mogelijkheid bestaat om op grond van artikel 2, lid 3, van het Bpb een hogere vergoeding voor proceskosten toe te kennen dan volgens het forfaitaire tarief geldt. Een eventuele wanverhouding tussen de tegemoetkoming in de proceskosten volgens het forfaitaire tarief en de werkelijk gemaakte kosten, vormt evenwel geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Bpb voor een hogere vergoeding. [5] In dit geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een hogere vergoeding zouden moeten leiden.
4.17.
Belanghebbende heeft voor het overige nog gronden van min of meer algemene aard aangevoerd over schendingen van het Unierecht, waaronder beweerdelijk onbevoegde uitleggingen van dat recht door de Hoge Raad, het Hof en de Rechtbank. Het Hof ziet geen aanleiding om op die gronden het hoger beroep gegrond te achten en de uitspraak van de Rechtbank te vernietigen. Het Hof merkt hierbij nog op dat, anders dan belanghebbende betoogt, het Hof in onderhavige zaak niet verplicht is om vragen te stellen aan het Hof van Justitie over de toepassing van het Unierecht. Alleen de hoogste nationale rechter heeft op grond van artikel 267 VWEU Pro een plicht zich tot het Hof van Justitie te wenden bij vragen over de uitleg van het Unierecht als daarover onduidelijkheid bestaat. In onderhavige procedure ziet het Hof geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In dat verband wordt opgemerkt dat de uitspraken van het Hof vatbaar zijn voor cassatieberoep bij de Hoge Raad, zodat artikel 267 VWEU Pro niet dwingt tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
Vergoeding van immateriële schade in hoger beroep
4.18.
Belanghebbende heeft in haar nadere stuk van 20 november 2025 een verzoek om vergoeding van immateriële schade gedaan wegens de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Het hogerberoepschrift is op 20 juni 2023 ingediend en het Hof doet heden uitspraak. Dit betekent dat de redelijke termijn in hoger beroep van twee jaar met afgerond acht maanden is overschreden. Er bestaat daarom aanleiding voor toekenning van een vergoeding van immateriële schade voor het hoger beroep van € 1.000. Ook voor wat betreft deze vergoeding geldt dat belanghebbende aan het Unierecht geen recht kan ontlenen op een hogere vergoeding. Nu de overschrijding uitsluitend is toe te rekenen aan het Hof, moet dit bedrag worden vergoed door de Staat.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. Wel dient aan belanghebbende de in 4.18. vermelde vergoeding van € 1.000 te worden toegekend.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
In zijn arrest van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in een geval als het onderhavige waarbij het hoger beroep op zichzelf beschouwd ongegrond is, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toekend, geen aanleiding bestaat om aan de belanghebbende het griffierecht te vergoeden. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Het Hof merkt hierbij nog op dat de redelijke termijn in hoger beroep op de datum van 31 mei 2024 nog niet was verstreken en belanghebbende na deze datum heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, zodat het in het hiervoor genoemde arrest opgenomen overgangsrecht, op grond waarvan belanghebbende wel recht zou hebben op een vergoeding van het griffierecht, niet van toepassing is.
5.2.
In de omstandigheid dat de belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn ziet het Hof aanleiding de Staat te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof stelt de kosten overeenkomstig het Bpb vast op € 233,50 (1 punt voor het verzoek om schadevergoeding  wegingsfactor 0,25  € 934). Wat betreft de stelling van belanghebbende dat het Unierecht dwingt tot een hogere vergoeding, verwijst het Hof naar hetgeen hiervoor bij 4.16. is overwogen.
5.3.
Ter zitting heeft belanghebbende nog aandacht gevraagd voor artikel 19a, lid 4, van de Wet BPM, op grond waarvan de uitbetaling van de proceskostenvergoeding en de vergoeding van immateriële schade uitsluitend mag plaatsvinden op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende. Belanghebbende acht deze bepaling in strijd met Unierecht. Het Hof is echter niet bevoegd een oordeel te geven over de vraag of een bedrag aan proceskostenvergoeding moet worden overgemaakt naar de rekening van een ander dan de belanghebbende. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag. [6]

6.Beslissing

Het Hof:
  • bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,
  • veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.000, en
  • veroordeelt de Staat in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, voorzitter, mr. T.H.J. Verhagen en mr. M. Harthoorn, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is op 3 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(E.D. Postema) (R.R. van der Heide)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1917.
2.Zie onder meer HvJ 11 juli 2002, ECLI:EU:C:2002:435.
3.Zie onder meer Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1917.
4.Hoge Raad 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810, r.o. 3.5.
5.Hoge Raad 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:833, r.o. 2.5.
6.Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156, r.o. 5.4.