Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale administratieve processen(hierna: de Inspecteur)
Staat der Nederlanden(de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat)
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Vaststaande feiten
De Kennisgroep BPM heeft het volgende standpunt ingenomen met betrekking tot de beoordeling van een te laat ingediend verzoek om teruggaaf van BPM vanwege export van een personenauto.
het motorrijtuig binnen 13 weken na het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister in de andere lidstaat van de EU of de EER is geregistreerd. Deze registratie voldoet aan richtlijn 1999/37/EG, m.u.v. een kentekenbewijs dat is afgegeven op basis van een tijdelijke inschrijving. (Art. 14a, lid 1 Wet)
bij het verzoek bescheiden worden overgelegd waaruit blijkt dat het motorrijtuig is geregistreerd in een andere lidstaat van de Europese Unie of de EER. (Art. 4a, lid 1, letter d UB)
bpm is betaald ter zake van de registratie in Nederland op of na 16-10-2006 en geen bpm is teruggegeven dan wel vrijstelling is verleend; (Art. 14a, lid 3 Wet) het terug te geven bedrag tenminste € 50.- bedraagt; (Art. 14a, lid 5 Wet)
het motorrijtuig buiten Nederland is gebracht en op het moment van het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister blijkens dit register niet werd aangemerkt als motorrijtuig bestemd voor sloop of motorrijtuig dat wacht op keuring (WOK); (Art. 4a, lid 1, letter a UB)
het motorrijtuig op dat moment niet voldeed aan de definitie van schadevoertuig in de zin van de Regeling voertuigen en degene op wiens naam het motorrijtuig te naam was gesteld direct voorafgaand aan het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister dit bij het verzoek om teruggaaf verklaart; (Art. 4a, lid 1, letter b UB)
:voetnoot 1 luidt
: Kamerstukken II 2012/13, 33403, nr. 3]
op de wijziging van artikel 10a Wet BPM per 1-1-2013 is vermeld dat wanneer de termijn van 13 weken wordt overschreden doordat het motorrijtuig niet tijdig geregistreerd kan worden in het andere EU- of EER-land, in dat geval de teruggaaf in beginsel ook daarna nog ambtshalve wordt verleend. Hiermee wordt gedoeld op die situaties waarin de registratietermijn in het andere EU/EER land langer duurt dan 13 weken.”
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
19. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016[voetnoot
: ECLI:NL:HR:2016:252.]
.
. Uitgaand van een vergoeding van € 500 per halfjaar of gedeelte daarvan, bestaat recht op een schadevergoeding van € 3.000. Dat sprake is van no cure, no pay geeft de rechtbank geen aanleiding om het bedrag te verlagen. De vergoeding van immateriële schade is immers in de eerste plaats bedoeld als signaal aan de rechtspraak dat tijdig beslist dient te worden. De noodzaak daartoe is niet minder in zaken waarin een gemachtigde procedeert op basis van no cure, no pay.”
5.Griffierecht en proceskosten
6.Beslissing
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.000, en
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 233,50.
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).