ECLI:NL:GHARN:2008:BC2741

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
17 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/00503
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.11 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 1.7a Wet inkomstenbelasting 2001Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op arbeidskorting bij uitkering zonder tegenwoordige arbeid

Belanghebbende ontving in 2004 een uitkering op basis van een schikking met zijn werkgever, waarbij hij gedeeltelijke doorbetaling van salaris kreeg zonder verplichting tot arbeid. Hij stond nog op de loonlijst, maar verrichtte feitelijk geen arbeid.

De Rechtbank Arnhem wees zijn beroep af en het Gerechtshof Arnhem bevestigde dit oordeel. Volgens vaste jurisprudentie is voor het recht op arbeidskorting beslissend of de uitkering toe te rekenen is aan daadwerkelijk verrichte arbeid. Dit was niet het geval.

Belanghebbende voerde aan dat er sprake was van ongelijke behandeling ten opzichte van werknemers die tijdens ziekte loondoorbetaling ontvangen en wel recht hebben op arbeidskorting, maar dit verweer werd verworpen vanwege het ontbreken van feitelijke en rechtens gelijke gevallen.

Het Hof oordeelde ook dat de niet-toepassing van de arbeidskorting op werkloosheidsuitkeringen geen aanleiding geeft tot billijkheidscorrecties. De uitspraak van de Rechtbank werd bevestigd zonder kostenveroordeling.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de uitkering geen loon uit tegenwoordige arbeid is en dat er geen recht op arbeidskorting bestaat.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM
Sector belasting
nummer 06/00503
uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
X, wonende te Z (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Arnhem van 9 november 2006, nummer AWB 06/1753, in het geding tussen belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur)
1. De aanslag, de beschikking, het bezwaar en het geding voor de Rechtbank
1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 129.193 zonder toepassing van de arbeidskorting. Voorts is bij beschikking een bedrag aan heffingsrente berekend van € 57.
1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.
1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 9 november 2006 ongegrond verklaard.
2. Het geding voor het Hof
2.1 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Het beroepschrift is ter griffi¬e ontvangen op 11 december 2006 waarbij bijlagen zijn overge¬legd.
2.2 Tot de stukken van het geding behoren het beroepschrift en het verweerschrift van de Inspecteur, beide met de daarin genoemde bijlagen.
2.3 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 29 november 2007 te Arnhem door de tweede meervoudige belastingkamer. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.
3. De vaststaande feiten
Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.
3.1 Belanghebbende, geboren in oktober 1947, heeft in het jaar 2004 een uitkering van € 111.797 (hierna: de uitkering) ontvangen van de Stichting A te Q (hierna: de werkgever). Voorts heeft belanghebbende van het UWV werkloosheidsuitkeringen ad € 14.045 en ad € 14.230 ontvangen.
3.2 De uitkering is gebaseerd op een tussen belanghebbende en de werkgever getroffen schikking in verband met het beëindigen van belanghebbendes dienstbetrekking bij de werkgever.
3.3 De onder 3.2. genoemde schikking houdt in dat belanghebbende recht heeft op gedeeltelijke doorbetaling van zijn salaris tot oktober 2007, de datum waarop belanghebbende zal toetreden tot een VUT-regeling, zonder de verplichting om arbeid te verrichten voor de werkgever. Bij mondelinge overeenkomst heeft belanghebbende aan de werkgever de toezegging gedaan beschikbaar te zijn indien laatstgenoemde van belanghebbendes diensten gebruik wenst te maken.
3.4 De werkgever heeft belanghebbende in het onderhavige jaar op de loonlijst staan. Bij het bepalen van de in te houden loonbelasting/premie volksverzekeringen heeft de werkgever de uitkering aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking en daarop de groene tabel toegepast.
4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen
4.1 Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op de arbeidskorting zoals genoemd in artikel 8.11, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet).
4.2 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.
4.3 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Inspecteur en van de Rechtbank en tot de toepassing van een arbeidskorting van € 1.213 over de verschuldigde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen alsmede de daaruit voortvloeiende vermindering van de heffingsrente.
4.4 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
5. Beoordeling van het geschil
5.1 Belanghebbende stelt dat de uitkering als loon uit tegenwoordige arbeid moet worden aangemerkt omdat de dienstbetrekking met zijn werkgever op grond van de schikking in stand is gebleven. Ter onderbouwing van zijn stelling wijst belanghebbende erop dat hij nog steeds op de loonlijst van de werkgever staat.
5.2 Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor de vraag of er sprake is van tegenwoordige arbeid niet relevant of de dienstbetrekking op grond waarvan de uitkering is genoten, in stand is gebleven. Als onderscheidend criterium heeft slechts te gelden of de uitkering is toe te rekenen aan bepaalde door belanghebbende verrichte arbeid dan wel aan arbeid verricht gedurende een bepaald tijdvak. In het onderhavige geval is belanghebbende vrijgesteld van de verplichting om arbeid te verrichten voor de werkgever en belanghebbende heeft ook feitelijk geen arbeid verricht. Hieruit volgt dat de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de uitkering niet is toe te rekenen aan bepaalde door belanghebbende verrichte arbeid, maar slechts in algemene zin haar oorzaak vindt in de omstandigheid dat voorheen arbeid werd verricht voor de werkgever. Een zodanige uitkering kan niet worden aangemerkt als loon uit tegenwoordige arbeid als bedoeld in artikel 8.11 van de Wet. Ook is geen sprake van inkomsten die op grond van artikel 1.7a van de Wet worden gelijkgesteld met loon uit tegenwoordige arbeid.
5.3 De stelling van belanghebbende, inhoudende dat er een verboden ongelijke behandeling bestaat tussen hem en werknemers aan wie een loondoorbetaling plaatsvindt tijdens ziekte en die – in verband met het bepaalde in artikel 1.7a van de Wet – wel recht hebben op de arbeidskorting heeft de Rechtbank eveneens terecht verworpen. Deze groep werknemers zijn immers uitsluitend gedurende en in verband met hun ziekte vrijgesteld van de verplichting tot het verrichten van arbeid in tegenstelling tot belanghebbende die in het geheel is vrijgesteld, zodat geen sprake is van feitelijk en rechtens gelijke gevallen. Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel kan hierom niet slagen.
5.4 Ter zake van het geval waarin een oud-collega die in een vergelijkbare situatie als belanghebbende verkeerde en die wel recht had op de arbeidskorting, oordeelt het Hof dat, belanghebbende onvoldoende gegevens heeft aangedragen waaruit kan worden opgemaakt dan wel afgeleid dat voor een feitelijk en rechtens gelijk geval sprake zou zijn. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan derhalve reeds hierom niet slagen.
5.5 Aan belanghebbendes klacht dat het niet toepassen van de arbeidskorting ter zake van de werkloosheidsuitkering leidt tot een onevenredig zware belasting voor oudere werkzoekenden, kan het Hof geen gehoor geven omdat de billijkheid of de innerlijke waarde van de wet niet ter beoordeling van de belastingrechter staat.
6. Kosten
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
7. Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank
Deze uitspraak is op 17 januari 2008 gedaan door de tweede meervoudige belastingkamer in de samenstelling mr. J. van de Merwe, voorzitter, mr. C.M. Ettema en mr. P.M. van Schie, raadsheren. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.
De griffier, De voorzitter,
(C.E. te Brake)
(J. van de Merwe)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 17 januari 2008
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),
Postbus 20303,
2500 EH Den Haag.
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.