ECLI:NL:GHARN:2010:BL7896
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Janse
- Tjallema
- van Rijssen
- Rechtspraak.nl
Geen tussentijds hoger beroep mogelijk tegen afwijzing incidentele vordering ex art. 843a Rv
In deze civiele procedure heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad waarin haar incidentele vordering ex artikel 843a Rv werd afgewezen. Deze vordering had betrekking op het verkrijgen van bewijsstukken die relevant waren voor haar hoofdzaken, waaronder boekhouding en jaarstukken van MCT Services BV over de jaren 2005 tot en met 2007.
Het hof heeft overwogen dat de afwijzing van deze incidentele vordering niet als een eindvonnis kan worden aangemerkt, omdat het geen einde maakte aan het geding omtrent enig deel van het gevorderde. De vordering diende immers slechts tot bewijsvergaring voor de hoofdzaak. Op grond van artikel 337 lid 2 Rv Pro is tussentijds hoger beroep tegen een tussenvonnis in beginsel uitgesloten, tenzij de rechter anders beslist.
Het hof heeft vastgesteld dat geen zodanige beslissing is genomen die tussentijds hoger beroep toestaat. Gezien de recente jurisprudentie van de Hoge Raad bevestigt het hof dat de afwijzing van de incidentele vordering een tussenvonnis is. Daarom is appellante niet-ontvankelijk in haar hoger beroep en wordt zij veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.
De vordering van geïntimeerden tot betaling van nakosten wordt afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing. Het hof wijst het meer of anders gevorderde af en bevestigt daarmee de rechtsregel dat tussentijds hoger beroep tegen een afwijzing van een incidentele vordering ex artikel 843a Rv niet mogelijk is.
Uitkomst: Appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de afwijzing van de incidentele vordering ex artikel 843a Rv.