ECLI:NL:GHARN:2011:BP1185
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- R.Ch. Verschuur
- W. Breemhaar
- B.J.H. Hofstee
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk bij incidentele vordering op grond van artikel 843a Rv
In deze civiele zaak zijn partijen voormalige echtelieden die een geschil hebben over de uitvoering van een boedelverdelingsregeling na hun echtscheiding. De geïntimeerde stelde een incidentele vordering in op grond van artikel 843a Rv om inzage te verkrijgen in bepaalde bankrekeningen en pensioenbrieven van appellante. De rechtbank Zwolle-Lelystad wees deze vordering toe en legde een dwangsom op voor het geval van niet-nakoming.
Appellante stelde hoger beroep in tegen dit vonnis, maar het hof oordeelde dat het vonnis een tussenvonnis betreft waarop geen tussentijds hoger beroep openstaat, tenzij de rechter dat uitdrukkelijk toestaat. Omdat de rechtbank dit niet had gedaan, werd appellante niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep.
Het hof ging daarbij in tegen eerdere uitspraken van de hoven Amsterdam en 's-Hertogenbosch, die in soortgelijke gevallen wel tussentijds hoger beroep toestonden. Het hof motiveerde dat het onderscheid tussen toewijzing en afwijzing van een incidentele vordering op grond van artikel 843a Rv wettelijk niet is onderbouwd en dat de dwangsom slechts een prikkel tot nakoming is, geen beslissing op het hoofdgeding.
De kosten van het hoger beroep werden ieder voor eigen rekening gelaten. Hiermee is de procedure beëindigd met een bevestiging dat tussentijds hoger beroep tegen een toewijzend vonnis op grond van artikel 843a Rv niet mogelijk is zonder toestemming van de rechter die het vonnis heeft gewezen.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat tussentijds hoger beroep op het tussenvonnis niet is toegestaan zonder toestemming.