ECLI:NL:GHARN:2012:BX0482
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Appellant niet-ontvankelijk in vordering tot opheffing beslag bankrekening ter executie geldboete
Appellant was strafrechtelijk veroordeeld tot betaling van een geldboete van €20.000. Ter executie van deze veroordeling legde het openbaar ministerie derdenbeslag op een bankrekening van de echtgenote van appellant. Appellant vorderde in kort geding opheffing van dit beslag, terugbetaling van geïnde bedragen en een verbod op hernieuwd beslag. De voorzieningenrechter wees deze vorderingen af.
In hoger beroep stelde appellant dat de korte termijn voor verzet tegen het beslag onredelijk was en dat hij daarom zijn vorderingen bij de burgerlijke rechter mocht indienen. Het hof oordeelde dat de artikelen 575 en 576 Wetboek van Strafvordering voorzien in een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang via verzet bij de strafrechter, die de executie schorst. Dit sluit de weg naar de burgerlijke voorzieningenrechter uit.
Het hof vond geen uitzonderlijke of spoedeisende omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen. De strafvorderlijke verzetprocedure biedt voldoende mogelijkheid tot beoordeling van de beslaglegging. Daarom verklaarde het hof appellant niet-ontvankelijk in zijn vorderingen en bekrachtigde het het vonnis van de voorzieningenrechter voor zover het de proceskosten betreft. Appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen tot opheffing van beslag op de bankrekening ter executie van een geldboete.