Eiser was veroordeeld tot betaling van een geldboete en het openbaar ministerie legde executoriaal derdenbeslag onder een bankrekening van eiser. Eiser vorderde bij de burgerlijke rechter opheffing van het beslag en een verbod op toekomstig beslag, stellende dat beslag onrechtmatig was omdat het zijn bestaansmiddelen aantastte.
De voorzieningenrechter wees de vordering af, waarna het hof eiser niet-ontvankelijk verklaarde omdat een verzetprocedure bij de strafrechter openstond, die voldoende waarborgen biedt. Eiser stelde dat de burgerlijke rechter wel bevoegd moest zijn om een toekomstig beslagverbod te geven.
De Hoge Raad bevestigde dat het verzet bij de strafrechter exclusief is voor geschillen over de tenuitvoerlegging van het dwangbevel en dat de burgerlijke rechter niet bevoegd is om een verbod op toekomstig beslag te geven. De verzetprocedure biedt voldoende rechtsbescherming, ook tegen onredelijke beslaglegging. Een verbod kan alleen in uitzonderlijke gevallen via de burgerlijke rechter worden gevraagd als het openbaar ministerie onrechtmatig blijft executeren na gegrond verzet.
De conclusie is dat eiser geen belang heeft bij de vordering bij de burgerlijke rechter en het beroep wordt verworpen.