ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ0438
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn in belastingprocedure
Belanghebbende stelde een verzoek in tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar-, beroeps- en hoger beroepsfase van belastingaanslagen over de jaren 2001, 2002 en 2003. De bezwaarschriften werden ingediend tussen december 2004 en januari 2007, met uitspraak op bezwaar op 7 december 2007. De beroepsprocedure startte in januari 2008 en leidde tot uitspraak van de rechtbank op 8 juni 2010. Het hoger beroep werd behandeld in 2010-2011 met uitspraak op 12 oktober 2011.
Het Hof oordeelde dat de bezwaarfase voor de jaren 2001 en 2002 aanzienlijk langer duurde dan de redelijke termijn van één jaar, maar dat de overschrijding deels aan belanghebbende zelf was toe te rekenen. Voor de beroepsfase was sprake van een overschrijding van ongeveer acht maanden. De bezwaarfase voor 2003 was niet langer dan de wettelijke termijn. Het Hof stelde vast dat de overschrijding in hoger beroep niet onredelijk was en dat de immateriële schadevergoeding primair gebaseerd is op het rechtszekerheidsbeginsel.
Het Hof veroordeelde de Inspecteur tot betaling van €1.000 voor de overschrijding in bezwaar en de Minister tot betaling van €1.000 voor de overschrijding in beroep. Tevens werden proceskosten van €472 verdeeld tussen Inspecteur en Minister. De uitspraak werd op 4 januari 2013 in het openbaar uitgesproken door de meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Belanghebbende ontvangt een immateriële schadevergoeding van €1.000 voor overschrijding in bezwaar en €1.000 voor overschrijding in beroep.