ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ3405
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen heffing precariobelasting voor gedoogde mantelbuizen van openbaar telecommunicatienetwerk
Belanghebbende, een erkende aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk, had in de jaren 2002, 2003 en 2004 lege HDPE-mantelbuizen in de gemeentegrond van Rijswijk. De gemeente legde precariobelasting op voor het hebben van deze buizen, waarop belanghebbende bezwaar maakte. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de aanslagen. De Inspecteur ging hiertegen in hoger beroep.
Het Hof overwoog dat de gemeente op grond van de Telecommunicatiewet een gedoogplicht heeft ten aanzien van deze mantelbuizen, die als beschermingswerken van kabels moeten worden beschouwd. Hierdoor is heffing van precariobelasting in de betreffende jaren niet toegestaan. Tevens kon belanghebbende vertrouwen ontlenen aan het instemmingsbesluit van 19 november 2002, waarin de heffing van precariobelasting afhankelijk werd gesteld van het niet tijdig in de buizen blazen van kabels.
Het hoger beroep van de Inspecteur werd ongegrond verklaard. Daarnaast werd de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak bevestigt de bescherming van telecominfrastructuur onder de Telecommunicatiewet tegen gemeentelijke precariobelastingheffing zolang aan de gedoogplicht wordt voldaan.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Inspecteur wordt ongegrond verklaard en de aanslagen precariobelasting worden vernietigd.