ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ3588
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen heffing precariobelasting op mantelbuizen door gedoogplicht gemeente
Belanghebbende, een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk, had in de jaren 2002 tot en met 2004 lege HDPE-mantelbuizen en handholes in de gemeentegrond van Rijswijk. De gemeente legde precariobelasting op voor het gebruik van deze grond.
De rechtbank oordeelde dat de gemeente op grond van de Telecommunicatiewet een gedoogplicht heeft ten aanzien van deze mantelbuizen, die als beschermingswerken van kabels worden beschouwd, en vernietigde de aanslagen. De Inspecteur ging hiertegen in hoger beroep.
Het hof bevestigt dat de gedoogplicht van artikel 5.1 van de Telecommunicatiewet geldt voor de mantelbuizen en dat het instemmingsbesluit van 21 februari 2002 het vertrouwen van belanghebbende beschermt dat geen precariobelasting geheven kan worden zolang de kabels binnen een jaar in de buizen worden aangebracht. Hierdoor is geen plaats voor heffing van precariobelasting in de betwiste tijdvakken.
Verder oordeelt het hof dat de rechtbank terecht de Inspecteur veroordeelde in de proceskosten en dat de immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn niet in hoger beroep wordt betwist. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en de aanslagen blijven vernietigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Inspecteur wordt ongegrond verklaard en de aanslagen precariobelasting worden vernietigd.