ECLI:NL:GHDHA:2014:2827
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep aandelenlease en beoordeling oneerlijk beding volgens richtlijn 93/13/EEG
De zaak betreft een hoger beroep van Dexia tegen een vonnis van de kantonrechter Rotterdam over aandelenleaseovereenkomsten gesloten met [gedaagde]. Dexia vorderde betaling van een deel van de restschuld, terwijl [gedaagde] terugbetaling eiste van reeds betaalde bedragen. De kantonrechter wees de vordering van Dexia af en veroordeelde Dexia tot betaling aan [gedaagde], waarbij het rekenmodel van hof Amsterdam werd toegepast en de resterende termijnen buiten beschouwing werden gelaten.
Dexia betwistte dit oordeel en stelde dat de resterende termijnen wel meegenomen moeten worden, omdat de leaseovereenkomsten rechtsgeldig zijn en de schade door het verzuim van de zorgplicht moet worden berekend met inachtneming van eigen schuld, zonder onderscheid tussen betaalde en verschuldigde bedragen. [gedaagde] voerde tegen dat het beding in artikel 6 een Pro oneerlijk boetebeding is, dat niet apart is onderhandeld en daarom volgens richtlijn 93/13/EEG nietig zou moeten zijn.
Het hof constateerde dat hof Amsterdam inmiddels was teruggekomen op zijn eerdere oordeel en dat de leaseovereenkomst als zodanig rechtsgeldig is. Het hof gaf Dexia de gelegenheid om zich uit te laten over het oneerlijke beding, waarna verdere beslissing werd aangehouden. De zaak werd verwezen naar de rol voor het nemen van akte door Dexia.
Het arrest toont de complexiteit van de toepassing van het rekenmodel in effectenleasezaken en de toetsing van algemene voorwaarden aan Europese richtlijnen inzake oneerlijke bedingen.
Uitkomst: Het hof houdt de zaak aan en geeft Dexia gelegenheid zich uit te laten over het oneerlijke beding.