Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 23 augustus 2016
[appellant] ,
SECURELINK NEDERLAND B.V.,
Het geding
De feiten
De verzoeken aan de kantonrechter en de beoordeling daarvan
De beoordeling in hoger beroep
- primair op grond van art. 7:683 lid 3 BW Pro de arbeidsovereenkomst tussen Securelink en [appellant] te herstellen met ingang van 1 februari 2016, of zoveel later als het hof noodzakelijk acht, met het treffen van voorzieningen voor de periode tussen 1 februari 2016 en de datum waarop het hof de arbeidsovereenkomst tussen partijen herstelt, conform het bepaalde in art. 7:683 lid 4 jo Pro 7:682 lid 6 BW; of
- indien het hof de arbeidsovereenkomst niet herstelt of [appellant] daar uitdrukkelijk voor zou kiezen, op grond van art. 7:683 lid 3 BW Pro aan [appellant] een billijke vergoeding toe te kennen van € 180.000,00, althans een door het hof vast te stellen vergoeding naar billijkheid die in ieder geval het loon omvat gedurende de periode vanaf 1 februari 2016 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst tussen Securelink en [appellant] schattenderwijs tot een einde zou (kunnen) zijn gekomen, als het hof tot herstel van de arbeidsovereenkomst zou overgaan; en
- subsidiair voor zover het hof de beschikking van de kantonrechter voor wat betreft de ontbinding in stand zou laten omdat aan alle voorwaarden van art. 7:669 lid 1 jo Pro lid 3 sub g BW zou zijn voldaan, de beschikking op het punt van de billijke vergoeding te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, Securelink, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot het betalen van een billijke vergoeding aan [appellant] ter hoogte van € 100.000,00 (bruto), althans een door het hof vast te stellen vergoeding naar billijkheid.
ook bij een minder duurzaam verstoorde arbeidsverhouding de arbeidsovereenkomst opgezegd moet kunnen worden als de ernst daarvan zodanig is dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet van de werkgever kan worden gevergd” (Kamerstukken II 2013-2014, 33818, nr. 3, p. 43-46).
om te onderzoeken op welke wijze de arbeidsovereenkomst verder kan worden vormgegeven”. Ook na de ontbinding van de vaststellingsovereenkomst is [appellant] niet meer op zijn werk verschenen. Dat [appellant] daadwerkelijk bereid was om het werk te hervatten blijkt niet uit de overgelegde correspondentie, wel dat [appellant] aanspraak wenste te maken op een aanzienlijk hogere beëindigingsvergoeding dan de vergoeding waarmee hij zich in de vaststellingsovereenkomst akkoord had verklaard. In de e-mail van 9 oktober 2015 aan [naamCEO] heeft [appellant] vervolgens aanspraak gemaakt op een vergoeding van 12 maanden. Uit deze e-mail blijkt op geen enkele wijze dat [appellant] aanspraak maakt op hervatting van zijn werkzaamheden. Dat deze handelwijze van [appellant] , die zich voorafgaand aan het ondertekenen van de vaststellingsovereen-komst had laten adviseren door een advocaat, bij Securelink in het verkeerde keelgat is geschoten, mede gelet op de hoge positie van [appellant] binnen Securelink – leidinggevend en deel uitmakend van het management team – en dit heeft geleid tot een verdere verstoring van de arbeidsverhouding tussen partijen, acht het hof dan ook aannemelijk.
schuldvraagbij de ontslaggrond verstoorde arbeidsrelatie geen toetsingscriterium is, omdat deze geen element vormt blijkens het Ontslagbesluit. Ook in de wetsgeschiedenis van de Wwz is geen aanwijzing te vinden dat de omstandigheid dat de verstoring van de arbeidsrelatie grotendeels aan de werkgever te wijten is, een rond zou kunnen zijn voor afwijzing van een ontbindingsverzoek. Daar komt bij dat het hof van oordeel is dat de handelwijze van [appellant] ook een bijdrage heeft geleverd aan de (verdere) verstoring van de arbeidsrelatie.
de factoniet eens drie maanden in zijn nieuwe functie werkzaam is geweest en [naamCEO] aansluitend aan Janszens vakantie drie weken met vakantie is geweest. Zoals het hof hiervoor al heeft overwogen, kwam de non-actiefstelling en de mededeling dat Securelink het dienstverband wenste te beëindigen voor [appellant] onverwacht. Securelink heeft aan [appellant] geen eerlijke kans geboden om zijn functie conform de wensen en eisen van Securelink uit te voeren c.q. zich te bewijzen. Door de plotselinge schorsing van [appellant] en het doelbewust aansturen op het einde van diens dienstverband, is de – leidinggevende – positie van [appellant] binnen Securelink ernstig beschadigd. Aan het ontstaan van die situatie heeft [appellant] niet wezenlijk bijgedragen. Wel acht het hof bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding van belang dat [appellant] ook heeft bijgedragen aan de verdere verstoring van de arbeidsrelatie door – na advies te hebben ingewonnen bij een advocaat – een vaststellingsovereenkomst te ondertekenen waarin hij instemde met zijn ontslag en vervolgens met gebruikmaking van de bedenktermijn een fors hogere beëindigings-vergoeding te verlangen. Verder is relevant dat [appellant] bij Securelink een salaris van € 7.500,00 bruto per maand verdiende en gelet op zijn korte dienstverband geen recht heeft op een transitievergoeding. Aan de andere kant moet in aanmerking worden genomen dat [appellant] slechts kort bij Securelink in dienst was, sinds eind augustus 2015 geen arbeid meer voor Securelink heeft verricht terwijl de arbeidsovereenkomst tot 1 februari 2016 heeft voortgeduurd en het loon gedurende deze periode aan [appellant] is doorbetaald en dat hij aansluitend recht heeft gekregen op een WW-uitkering. Het hof ziet geen aanleiding om rekening te houden met de stelling van [appellant] dat hij, indien hij nog een maand langer bij zijn vorige werkgever (KPN) in dienst zou zijn gebleven, gebruik zou hebben kunnen maken van een plaatsmakers-regeling, uit hoofde waarvan hij recht zou krijgen op een beëindigingsvergoeding van € 40.000,- tot € 50.000,-. Nog los van dat [appellant] deze stelling op geen enkele manier heeft onderbouwd, is het de eigen keuze van [appellant] geweest om zijn dienstverband met KPN onder deze omstandigheden per [datum] 2015 op te zeggen, zodat de gevolgen daarvan niet in de billijke vergoeding kunnen worden verdisconteerd. Dit alles in aanmerking nemende en mede gelet op de eerdergenoemde passage in de wetsgeschiedenis, waarin is opgemerkt dat bij ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, de werknemer hiervoor moet worden gecompenseerd, ook om dergelijk handelen of nalaten van de werkgever te voorkomen, acht het hof een billijke vergoeding van € 30.000,- bruto in de gegeven omstandigheden passend.