ECLI:NL:GHDHA:2016:2451
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- L.F.A. Husson
- I. Obbink-Reijngoud
- H. Mollema-de Jong
- Rechtspraak.nl
Ondertoezichtstelling minderjarige wegens bedreigde identiteitsontwikkeling en weigering statusvoorlichting
De raad voor de kinderbescherming is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de kinderrechter die het verzoek tot ondertoezichtstelling van een minderjarige heeft afgewezen. De moeder, die het gezag heeft en bij wie de minderjarige verblijft, verzet zich tegen het verzoek. De vader is erkend, maar heeft geen gezag en wordt in deze procedure als informant aangemerkt.
De raad stelt dat de minderjarige in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd doordat hij niet wordt voorgelicht over zijn biologische vader en er geen contact is tussen hen. De moeder weigert deze statusvoorlichting en contact, ondanks afspraken en gesprekken, en stelt voorwaarden die het contact bemoeilijken. Het hof overweegt dat de gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn volgens artikel 1:255 lid 1 BW Pro, mede gelet op jurisprudentie van de Hoge Raad over het belang van het kind bij kennis van zijn afstamming.
Het hof oordeelt dat de situatie van de minderjarige ernstige bedreigingen voor zijn identiteitsontwikkeling inhoudt, en dat minder ingrijpende maatregelen niet effectief zijn gebleken. Daarom wordt de ondertoezichtstelling voor de duur van één jaar uitgesproken, met benoeming van een gecertificeerde instelling. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof stelt de minderjarige onder toezicht voor één jaar vanwege ernstige bedreiging van zijn ontwikkeling door het onthouden van statusvoorlichting en contact met zijn vader.