Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Beschikking van 22 november 2017
[appellant],
[geïntimeerde],
Kinderparadijs De Ballebak Rotterdam-Ommoord,
Gerechtshof Den Haag
In deze zaak staat de vraag centraal of de opzegtermijn bij het ontslag van appellant correct is berekend, mede aan de hand van de duur van zijn dienstverband bij verschillende franchisevestigingen van Bal-lorig. Appellant betwistte het ontslag op staande voet en stelde dat zijn dienstverband sinds 1999 onafgebroken was, waardoor een langere opzegtermijn van toepassing zou zijn.
Het hof oordeelde dat appellant onvoldoende heeft gesteld om aan te tonen dat sprake was van opvolgend werkgeverschap of overgang van onderneming tussen de verschillende franchisevestigingen. De vestigingen worden als zelfstandige ondernemingen beschouwd. Ook de arbeidsovereenkomst uit 2009 en het UWV-overzicht ondersteunen dit niet. Wel is aangenomen dat de periode vanaf 14 december 2006 meetelt voor de berekening van de opzegtermijn.
Hierdoor is de opzegtermijn van twee maanden juist toegepast en is het ontslag niet onregelmatig. De bestreden beschikking van de kantonrechter wordt bekrachtigd en appellant wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. De kostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het ontslag en oordeelt dat de opzegtermijn correct is toegepast zonder rekening te houden met eerdere dienstverbanden bij andere franchisevestigingen.