Conclusie
opzegtermijn(art. 7:672 lid 2 BW Pro) rekening moet worden gehouden met de voorgaande arbeidsovereenkomst(en) (zoals het hof heeft aangenomen), of dat slechts gekeken moet worden naar de op het moment van ontslag geldende arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (zoals in het middel wordt betoogd).
1.Feiten
2.Procesverloop
Van Tuinen/Wolters. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat aan beide criteria uit het arrest
Van Tuinen/Woltersis voldaan (rov. 3.3.2). Ten aanzien van [verweerster] is het hof van oordeel dat door ESS van [verweerster] ‘wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden’ worden gevergd als voorheen door Rucanor/SSE (rov. 3.3.4-3.3.9) Ten aanzien van Rucanor/SSE en ESS geldt naar het oordeel van het hof dat de vereiste ‘zodanige nauwe band’ bestaat (rov. 3.3.10-3.3.15). Verder heeft het hof geoordeeld dat de grief van ESS tegen de toewijzing van de door [verweerster] verzochte vergoeding van € 4.921,82 bruto wegens onregelmatige opzegging, faalt. Nu bij de financiële afwikkeling van de arbeidsovereenkomst mede moet worden gelet op de periode waarin [verweerster] voor Rucanor/SSE werkzaam was, geldt ook een langere opzegtermijn dan wanneer die periode niet moet worden meegenomen, aldus het hof (rov. 3.7).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Van Tuinen/Woltersgestelde eis dat de arbeidsovereenkomst met de nieuwe werkgever ‘wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden vergt als de vorige overeenkomst’, wel degelijk mede gekeken kan worden naar de ontwikkeling zoals die zich na de aanvang van het opvolgende contract (in de woorden van het hof: “het tijdstip van de overgang”) heeft voltrokken binnen de onderneming van de werkgever. Dat geldt des te meer wanneer die ontwikkelingen al direct na dat moment zijn ingezet. Daarbij wordt erop gewezen dat dergelijke, vanaf het begin van het dienstverband ingezette, ontwikkelingen met zich kunnen brengen dat al bij het aangaan van het dienstverband duidelijk is dat vanaf de indiensttreding in toenemende mate andere vaardigheden en verantwoordelijkheden gevergd zullen worden. Dat ofwel (i) omdat de functie-inhoud door de wijzigingen die in de onderneming worden doorgevoerd vanaf de indiensttreding gaandeweg (steeds verder) zal wijzigen, ofwel (ii) omdat de omstandigheden waaronder die functie zal moeten worden uitgeoefend door de ingezette wijzigingen gaandeweg (steeds verder) zullen wijzigen. De rechtsopvatting van het hof, die er volgens het onderdeel in de kern op neerkomt dat voor de beoordeling of sprake is van een opvolgend dienstverband dat wezenlijk dezelfde vaardigheden als verantwoordelijkheden vergt als het voorgaande dienstverband (met een andere werkgever) slechts de situatie beslissend is zoals die zich voordoet ten tijde van het moment waarop de werknemer bij de opvolgende werkgever in dienst treedt, is daarom te beperkt en daarmee onjuist, aldus het onderdeel.
Van Tuinen/Wolters [5] beoordeeld of sprake is van opvolgend werkgeverschap. Dat is terecht, zoals inmiddels is beslist in de
Constar-beschikking. [6] Volgens de maatstaf uit het arrest
Van Tuinen/Woltersmoet de nieuwe werkgever redelijkerwijs geacht worden ten aanzien van de verrichte arbeid de opvolger van de vorige werkgever te zijn, indien (in de regel) is voldaan aan de volgende vereisten:
5.34 ESS heeft zich dus vanaf de datum dat zij werd opgericht volop toegelegd op het organiseren van het nieuwe bedrijf en het binnenhalen van klanten die zij zou kunnen gaan bedienen. Indien ESS op dezelfde lijn was doorgegaan als Rucanor, dan waren dergelijke klanten uiteraard nimmer aangetrokken c.q. bediend. Het feit dat ESS enkel logistieke werkzaamheden verricht voor derde partijen met artikelen die bovendien niet persé het merk Rucanor dragen welke artikelen bovendien via andere kanalen (internet) worden aangekocht, maakt reeds duidelijk dat ESS niet kan worden beschouwd als een rechtsopvolger van Rucanor. De identiteit van het bedrijf van Rucanor is geheel verloren gegaan.”
de nauwe bandtussen Rucanor/SSE en ESS niet wegneemt. Volgens het hof spreekt het voor zich dat na een faillissement de bedrijfsvoering niet op precies dezelfde voet wordt voortgezet en zich richt op het binnenhalen van de nieuwe klanten. Dat de identiteit van het bedrijf van Rucanor/SSE verloren is gegaan, acht het hof niet aannemelijk. Het hof merkt daarbij op dat de vraag of sprake is van opvolgend werkgeverschap, moet worden beoordeeld naar het tijdstip van de overgang (in 2013) en dat daarbij niet relevant is hoe ESS zich nadien heeft ontwikkeld, ook niet als die ontwikkelingen al aanstonds na de overgang werden ingezet. Hoewel het hof in rov. 3.3.15 (laatste volzin) spreekt van ‘opvolgend werkgeverschap’, blijkt uit de context dat het hof hiermee doelt op de vraag of aan het ‘zodanige banden’-criterium is voldaan
Van Tuinen/Wolters, te weten of de nieuwe arbeidsovereenkomst ‘wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden’ eist als de vorige overeenkomst, de door ESS aangevoerde veranderingen binnen haar onderneming [7] juist nadrukkelijk in zijn beoordeling betrokken. Zo overweegt het hof in rov. 3.3.5 dat de door ESS aangevoerde veranderingen – die door het hof samengevat zijn weergegeven in rov. 3.3.4 – ontoereikend zijn om daaruit te kunnen afleiden dat geen sprake is van
wezenlijkdezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden van [verweerster] . Dat er in het nieuwe bedrijf meer via internet wordt gewerkt en dat er grotere nadruk is komen te liggen op de administratieve verwerking van retourzendingen, past volgens het hof binnen de maatschappelijke ontwikkelingen ten aanzien van producten waar het hier om gaat. Het hof overweegt voorts dat gesteld noch gebleken is dat de betreffende veranderingen hebben geleid tot een (wezenlijke) verandering in de door [verweerster] te verrichten administratieve logistieke werkzaamheden. In rov. 3.3.6 overweegt het hof dat gesteld noch gebleken is dat [verweerster] na de overname door ESS voor de
veranderde werkzaamhedeneen opleiding heeft gekregen, of intern begeleid is. Hieruit leidt het hof af dat deze
veranderingenkennelijk niet van zodanig wezenlijke aard zijn dat [verweerster] niet zonder meer kon worden overgenomen en zij niet zelfstandig aan de veranderingen tegemoet zou kunnen komen. Ook uit rov. 3.3.8 blijkt dat het hof de door ESS gestelde veranderingen in zijn beoordeling heeft betrokken. Het hof overweegt daar immers dat de omstandigheid dat ESS zelf geen producten of productlijnen ontwikkelt en zich evenmin met marketing en verkoop bezighoudt, niet afdoet aan het oordeel dat sprake is van ‘wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden’, omdat gesteld noch gebleken is dat [verweerster] zich bij Rucanor/SSE daarmee bezighield. In rov. 3.39 overweegt het hof tot slot dat niet is komen vast te staan dat de werkzaamheden van [verweerster] voor SSE inhoudelijk wezenlijk verschilden van die voor ESS. Volgens het hof is steeds sprake van de uitlevering van (onder meer) Rucanor-producten. Aldus heeft het hof de door ESS gestelde ontwikkelingen die zich (enige tijd) na aanvang van de opvolgende arbeidsovereenkomst van [verweerster] binnen haar onderneming hebben voorgedaan, voldoende kenbaar betrokken bij de beoordeling of is voldaan aan het vereiste van ‘wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden’.
uitgangspuntis dus dat de berekening van de opzegtermijn bij opvolgende arbeidsovereenkomsten alleen wordt gekeken naar de arbeidsovereenkomst op het moment van het ontslag. De opzegtermijnen van de overige arbeidsovereenkomsten worden – eveneens als uitgangspunt, zo volgt uit de woorden ‘in principe’ – geacht te zijn verbruikt. De ratio van de regel is daarmee, zo zou je kunnen zeggen, dat een uit een bepaalde arbeidsovereenkomst voortvloeiende opzegtermijn niet
twee keerkan worden ingezet.
Ragetlie-regel [14] (voor de situatie dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met wederzijds goedvinden is beëindigd en wordt voortgezet door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd) wordt de termijn van opzegging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd berekend vanaf het tijdstip van totstandkoming van de voorgaande arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
lid 2, en in het voorgestelde artikel 667, lid 4. In de door die artikelen bestreken situaties dienen elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd wat de berekening van de opzegtermijn betreft als één arbeidsrelatie te worden beschouwd. Krachtens de nieuwe systematiek wordt bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd door opzegging, de opzegtermijn beschouwd te zijn verwerkt. Een nieuwe en opvolgende arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd dient dan als een afzonderlijke, op zichzelf staande arbeidsrelatie te worden beschouwd. Het systeem van de wet is in dit opzicht dus heel strak en helder.
en de opzegtermijn. Het is mij niet geheel duidelijk wat de minister bedoelt. Hij heeft gerefereerd aan artikel 688, lid 2, dat volgens ons over iets heel anders gaat. Wil hij nog eens uitleggen wat hij precies bedoelt?
MinisterDe Vries:Ik denk dat iemand die een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd was aangegaan, die is verbroken om te worden voortgezet door een nieuwe arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tegen andere arbeidsvoorwaarden, bij de rechter een grote kans zal hebben om dat als één arbeidsovereenkomst te laten beoordelen, met alle rechten die daaruit voortvloeien. Ik zou dat niet anders kunnen zien.”
ookde voorgaande arbeidsovereenkomsten in aanmerking moeten worden genomen en dus gekeken moet worden naar de totale duur van de arbeidsrelatie. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat de in art. 7:672 lid 2 BW Pro (oud) besloten liggende regel, dat bij het bepalen van de opzegtermijn een nieuwe, opvolgende arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd als een op zichzelf staande arbeidsrelatie dient te worden beschouwd – naast de wettelijke uitzonderingen – ook uitzondering lijdt als opvolgende arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd kunnen worden gekwalificeerd als ‘één arbeidsovereenkomst’.
Cemsto/Azzoutiwaarnaar Heerma van Voss verwijst, was aan de orde of de werkgever bij de berekening van de anciënniteit van een werknemer met het oog op de vraag of deze werknemer in aanmerking kwam voor ontslag vanwege de korte duur van zijn dienstverband (‘last in, first out’), rekening diende te houden met een eerder, nagenoeg aansluitend dienstverband van de werknemer bij dezelfde werkgever. De Hoge Raad overwoog daarover het volgende: [18]
dat juist oudere werknemers veelal in een ongunstiger positie verkeren bij het zoeken naar vervangend werk’. Anders gezegd: hoe langer de werknemer in dienst is, hoe meer hij behoefte heeft aan een langere opzegtermijn waarin hij op zoek kan gaan naar ander werk. [20]
- i) de ratio van de bepaling, namelijk dat de opzegtermijn van een vorige arbeidsovereenkomst geacht wordt te zijn verbruikt (wat naar ’s hofs oordeel in de beoordeelde zaak niet aan de orde is), en
- ii) dat het vreemd is dat bij andere leerstukken wél rekening moet worden gehouden met opvolgend werkgeverschap, en in het kader van de opzegtermijn niet.
5.2 De Raad merkt allereerst op dat sedert de invoering van de Wet flexibiliteit en zekerheid het systeem van berekening van de opzegtermijn is gewijzigd in die zin dat artikel 7:672 van Pro het BW uitgaat van de duur van de arbeidsovereenkomst op de dag van opzegging en dat elke arbeidsovereenkomst - zoals uit de toelichting op deze wet ook duidelijk blijkt - afzonderlijk moet worden bezien. Dit betekent dat voor de berekening van de ten aanzien van appellante geldende opzegtermijn in beginsel alleen uitgegaan moet worden van de duur van haar arbeidsovereenkomst met [Werkgever C]. Dit ware slechts anders indien de individuele arbeidsovereenkomst van appellante of de geldende CAO een basis zou bieden om (wat betreft de opzegtermijn) de duur van eerdere arbeidsovereenkomsten van appellante met Rabobank vestigingen mee te tellen. Hetgeen in de individuele arbeidsovereenkomst (artikel 1, derde lid) is vermeld noch hetgeen in de CAO (artikel 3.4) over opzegtermijnen is vermeld biedt echter enige grondslag om voor de berekening van de opzegtermijn de tijd dat voorafgaand aan de laatste arbeidsovereenkomst bij ander vestigingen van Rabobank is gewerkt, mede in aanmerking te nemen, omdat alleen wordt verwezen naar de wettelijke bepalingen respectievelijk naar de wettelijke opzegtermijn.”
nooiteen voorafgaande arbeidsovereenkomst bij dezelfde werkgever kan worden meegeteld (behoudens de wettelijke uitzonderingen). In de onderhavige uitspraak was sprake van verschillende werkgevers, namelijk verschillende Rabobank-vestigingen, die níet als opvolgende werkgevers konden worden aangemerkt. Bovendien is in de voorgaande alinea het volgende vermeld over het standpunt van de werknemer: “
In hoger beroep heeft appellante benadrukt, dat elke vestiging van de Rabobank een zelfstandige onderneming is, waartoe zij heeft verwezen naar artikel 3.2, vierde lid van de cao (…)”. Bij afwezigheid van opvolgend werkgeverschap én bij gebreke aan een bijzondere bepaling in cao of arbeidsovereenkomst op grond waarvan eerdere arbeidsovereenkomsten moeten worden meegeteld, is het begrijpelijk dat geoordeeld wordt dat er geen grondslag is om bij de berekening van de opzegtermijn ook de eerdere arbeidsovereenkomsten
bij andere werkgeversmee te nemen.
4.1 Het gaat in dit hoger beroep om de vaststelling van de opzegtermijn op grond van artikel 16, derde lid, van de WW. (…) Bepalend daarvoor is de rechtens geldende termijn. Daaronder wordt verstaan de termijn die de werkgever of de werknemer op grond van artikel 7:672 van Pro het BW in acht behoort te nemen. In dit geval geldt de door de werkgever in acht te nemen opzegtermijn. Tussen partijen heeft als uitgangspunt te gelden dat geen sprake is geweest van overgang van een onderneming in de zin van artikel 7:662 van Pro het BW. Het UWV is van mening dat voor de vaststelling van de lengte van de opzegtermijn artikel 7:668a, tweede lid, van het BW in aanmerking moet worden genomen. Hij meent daarvoor steun te kunnen vinden in het arrest van de Hoge Raad van 14 juli 2006, LJN AY3782. De Raad zal allereerst hierop ingaan.
verschillendewerkgevers. Ter onderbouwing van het standpunt dat de eerdere arbeidsovereenkomsten moesten worden meegerekend had het UWV ingezet op ‘overgang van onderneming’, maar die stelling werd kennelijk in hoger beroep verlaten. Over de vraag of sprake was van
opvolgendwerkgeverschap en de mogelijke consequenties daarvan voor de opzegtermijn, is niet gedebatteerd. Hierbij is bovendien te bedenken dat een langere fictieve opzegtermijn in het nadeel van de werknemer is, omdat hij dan pas later recht heeft op een WW-uitkering. Tegen die achtergrond is het niet vreemd dat de CRvB niet zomaar aanneemt dat eerdere arbeidsovereenkomsten moeten worden meegerekend bij het bepalen van de fictieve opzegtermijn. Voor een dergelijk oordeel zal een stevige juridische basis moeten bestaan.
Ragetlie-regel [27] wordt de termijn van opzegging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd berekend vanaf het tijdstip van totstandkoming van de voorgaande arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (art. 7:667 lid 4 en Pro 5 BW).
nietin een bepaling dat in geval van opvolgende arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd bij dezelfde werkgever, dan wel in geval van opvolgend werkgeverschap, voorgaande arbeidsovereenkomsten meetellen voor de berekening van
de opzegtermijn. In de totstandkomingsgeschiedenis van de Wwz is dit punt ook niet aan de orde geweest.
12 (…) Gelet op het bepaalde in art. 7:672 lid Pro 2, aanhef en onder a, BW zou de opzegtermijn één maand bedragen. [Appellante] is met Envido immers een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangegaan op 3 november 2015 en die arbeidsovereenkomst heeft minder dan vijf jaar geduurd. Bij het berekenen van de opzegtermijn wordt de arbeidsovereenkomst (voor onbepaalde tijd) die tussen [appellante] en Capricorn bestaan heeft, niet meegeteld. Bij de beëindiging van dat dienstverband wordt de opzegtermijn hangende aan dat arbeidscontract geacht te zijn verbruikt (zie Kamerstukken II 1998/99, 26257, nr. 7 onder Bijlage sub o). (…)”
5.8 (…) Voor de bepaling van de ontbindingsdatum is het ten eerste van belang vast te stellen welke opzegtermijn geldt. Door Moonen is terecht betoogd dat de opzegtermijn dient te worden berekend aan de hand van artikel 7:672 BW Pro, een bepaling die niet is gewijzigd met de WWZ en die geen rekening houdt met een arbeidsovereenkomst met een eerdere werkgever. Dat brengt mee dat een opzegtermijn voor [verweerder] geldt van een maand. (…)”
3.14 Dit betekent dat de kantonrechter terecht tot ontbinding is overgegaan. [Verzoeker] meent echter dat de kantonrechter daarbij is uitgegaan van een onjuiste opzegtermijn. Omdat sprake is van opvolgend werkgeverschap in de zin van artikel 7:668a lid 2 BW, had de duur van zijn SEPSR-dienstverband bij de berekening van de opzegtermijn en de transitievergoeding meegenomen moeten worden.
in beginsel geen rekening wordt gehouden met voorafgaande arbeidsovereenkomsten”. [36] Of dit ‘in beginsel’ louter verwijst naar de wettelijke uitzonderingen of ook naar situaties waarin opvolgende arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd feitelijk als ‘één arbeidsovereenkomst’ moeten worden gezien (zie onder 3.11), wordt niet duidelijk. Evenmin maken de auteurs expliciet of zij ervan uitgaan dat de Wwz-wetgever op dit punt
bewustgeen wijziging heeft beoogd, ondanks de op andere punten vérgaande consequenties van opvolgend werkgeverschap. Uitzondering is slechts Heerma van Voss, die, zoals gezegd (zie onder 3.13), het standpunt inneemt dat sprake is van een omissie van de wetgever (dat is: de Flexwet-wetgever). [37]
twee keerkan worden ingezet (zie onder 3.8).
eerste plaatssluit deze benadering aan bij de opmerking van de minister bij de bespreking van de Reparatiewet Flexibiliteit en Zekerheid, dat als opvolgende arbeidsovereenkomsten in feite als één arbeidsovereenkomst moeten worden beschouwd, ook voorafgaande arbeidsovereenkomsten meetellen (zie onder 3.10).
In de
tweede plaatsis het onlogisch dat voor veel ingrijpender gevolgen van opvolgend werkgeverschap, zoals de aanspraak op een transitievergoeding, wél gekeken wordt naar eerdere arbeidsovereenkomst(en), en bij een relatief bescheiden gevolg als de bepaling van de opzegtermijn, juist geabstraheerd wordt van die eerdere overeenkomst(en) (zie onder 3.21).
In de
derde plaats– dit argument ligt in het verlengde van het vorige argument - zou het bijdragen aan een overzichtelijk systeem, omdat niet gewerkt hoeft te worden met verschillende aanvangstermijnen van de arbeidsrelatie, afhankelijk van de vraag om welke rechtsgevolgen het gaat (zie onder 3.15).
In de
vierde plaats(
last but not least) doet het recht aan de strekking van de regeling van opvolgend werkgeverschap, namelijk behoud van anciënniteit van de werknemer. Met betrekking tot de lengte van de opzegtermijn is de ratio van behoud van anciënniteit niet alleen gelegen in de gedachte dat hoe langer de arbeidsrelatie heeft geduurd, hoe verder de morele verplichting van de werkgever jegens de werknemer strekt (‘beloning voor trouwe dienst’). Daarnaast is te wijzen op het praktische argument, dat bij een langere arbeidsrelatie met dezelfde werkgever, de werknemer meer tijd nodig zal hebben om ander werk te vinden, zeker als sprake is van eenzijdige werkervaring. Deze argumenten zijn ook terug te vinden in het arrest
Cemsto/Azzouti(zie onder 3.14).
nietaangevoerd dat de kantonrechter hiermee is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de berekening van de opzegtermijn. ESS heeft slechts betoogd dat de kantonrechter bij de berekening van de opzegtermijn ten onrechte rekening heeft gehouden met het eerdere dienstverband van [verweerster] , omdat van opvolgend werkgeverschap geen sprake was. Dit blijkt uit grief VI (mijn onderstreping): [42]