ECLI:NL:GHDHA:2016:4284

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
6 december 2016
Publicatiedatum
7 maart 2017
Zaaknummer
200.196.011/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 RvArt. 9.1.14 Landelijk procesreglement civiele dagvaardingszakenArt. 339 lid 2 RvArt. 343 jo. Art. 111 en Art. 112 (nieuw) RvArt. 1019h Rv
Verwijzingen
12 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens overschrijding appeltermijn in kort geding

In deze zaak heeft B. Braun Melsungen AG hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de voorzieningenrechter in een kort geding, gewezen op 17 juni 2016. De appeltermijn werd overschreden doordat de appeldagvaarding pas op 20 juli 2016 werd betekend, terwijl de termijn op 15 juli 2016 was verstreken. B. Braun voerde aan dat zij tijdig had gehandeld, onder meer door het toezenden van een concept dagvaarding en het ontvangen van een e-mail door de advocaten van de wederpartij binnen de termijn.

B. Braun stelde ook dat het strikt hanteren van de appeltermijn in strijd zou zijn met het Unierecht en het Handvest van de grondrechten van de EU, en dat op grond van nieuwe wetsartikelen en jurisprudentie een ruimere uitleg van de termijn zou moeten gelden. Het hof oordeelde dat geen feiten of omstandigheden waren gesteld die een uitzondering op de strikte appeltermijn rechtvaardigen. Het toezenden van een concept dagvaarding en het ontvangen van een e-mail zijn geen rechtsgeldige betekening of indiening van een procesinleiding.

Het hof benadrukte dat duidelijkheid over het instellen van rechtsmiddelen essentieel is en dat de wettelijke voorschriften omtrent de appeltermijn zonder redelijke grond niet mogen worden genegeerd. De stelling dat het hof een instructie had gegeven om op 20 juli te betekenen werd verworpen. De niet-ontvankelijkheid werd uitgesproken en B. Braun werd veroordeeld in de proceskosten van de wederpartij.

Uitkomst: B. Braun wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens overschrijding van de appeltermijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer: 200.196.011/01
Zaak-/rolnummer rechtbank: C/09/508927 / KG ZA 16-454

Arrest van 6 december 2016

inzake

B. Braun Melsungen AG, gevestigd te Melsungen, Duitsland,

appellante in de hoofdzaak,
verweerster in het ontvankelijkheidsincident,
hierna te noemen: B. Braun,
advocaat: mr. W.E. Pors te Den Haag,
tegen
1.
Becton Dickinson B.V., gevestigd te Breda,
2.
Becton Dickinson Infusion Therapy B.V., gevestigd te Bilthoven, gemeente De Bilt,
geïntimeerden in de hoofdzaak,
eisers in het ontvankelijkheidsincident,
hierna te noemen: Becton c.s.,
advocaat: mr. R.E. Ebbink te Amsterdam.

Procesverloop

Op 17 juni 2016 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag tussen partijen een vonnis in kort geding gewezen.
Bij brief van 6 juli 2016 heeft mr. Pors verzocht vanwege bijzondere spoed om het nog aanhangig te maken hoger beroep tegen dat vonnis te behandelen met verkorte termijnen als bedoeld in artikel 9.1.14 van het toen geldende Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven.
Bij e-mail van 6 juli 2016 heeft de griffier aan mr. Pors onder meer verzocht om toezending van een concept van de appeldagvaarding.
Bij e-mail van 11 juli 2016 heeft mr. Pors een concept van de appeldagvaarding aan het hof gezonden.
Bij brief van 11 juli 2016 heeft mr. Ebbink bezwaar gemaakt tegen een behandeling met verkorte termijnen.
Bij e-mail van 11 juli 2016 heeft mr. Pors op dat bezwaar gereageerd en voorts onder meer geschreven: “De dagvaarding kan wat mij betreft woensdag 20 juli al betekend worden.”
Op 12 juli 2016 heeft het hof een meervoudige kamer samengesteld en zijn partijen door de griffier telefonisch op de hoogte gebracht van de beslissing van die kamer de zaak te behandelen als spoedappel en verlof te verlenen om op verkorte termijn te dagvaarden tegen 26 juli 2016 om 10:00 uur op voorwaarde dat de dagvaarding uiterlijk 20 juli 2016 om 17:00 uur zou worden uitgebracht.
Bij exploot van 20 juli 2016 heeft B. Braun hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van 17 juni 2016.
Nadat de zaak door de meervoudige kamer weer was verwezen naar de enkelvoudige kamer zijn partijen bij rolbeslissing van 26 juli 2016 in verband met de termijnoverschrijding in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de ontvankelijkheid van het beroep.
B. Braun heeft daarna een akte genomen waarop Becton c.s. heeft gereageerd met een antwoordakte.
Vervolgens is de zaak verwezen naar een andere meervoudige kamer, te weten de kamer die dit arrest wijst. Ten overstaan van die kamer hebben partijen op 3 november 2016 hun standpunten omtrent de ontvankelijkheid doen bepleiten. Namens B. Braun is door haar advocaat het woord gevoerd. Namens Becton c.s. is het woord gevoerd door haar advocaat en door mr. P. Marcelis en mr. A.D. de Leeuw, advocaten te Amsterdam. Van beide zijden zijn pleitnotities overgelegd.
Ten slotte is arrest in het ontvankelijkheidsincident bepaald op heden.

Beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep

13. B. Braun stelt dat zij tijdig hoger beroep heeft ingesteld, althans in ieder geval ontvankelijk is. Daartoe voert zij het volgende aan.
- Op grond van artikel 63 Rv Pro kon de dagvaarding worden betekend aan het kantoor van de advocaten van Becton c.s. Deze advocaten hebben de appeldagvaarding binnen de appeltermijn ontvangen. Zij ontvingen immers een kopie van de e‑mail van 11 juli 2016 waarbij de dagvaarding aan het hof werd gezonden.
-
De appeldagvaarding is conform de instructie van het hof op 20 juli 2016, vijf dagen na het verstrijken van de appeltermijn, betekend. Becton c.s. is hierdoor niet in haar verdediging geschaad.
-
Niet-ontvankelijkverklaring zou disproportioneel zijn.
-
In HR 28 november 2003, NJ 2005/465, HR 27 mei 2011, NJ 2012/625 en HR 3 oktober 2014, NJ 2016/89 heeft de Hoge Raad uitzonderingen toegelaten op het uitgangspunt dat de appeltermijn strikt moet worden gehandhaafd.
- Volgens artikel 343 jo Pro. artikel 111 en Pro artikel 112 (nieuw) Rv wordt naar komend recht het hoger beroep ingesteld door indiening van een procesinleiding waarna appellant het van de griffier verkregen oproepingsbericht pas binnen twee weken daarna bij geïntimeerde hoeft te bezorgen, waarbij hij vrij is om de wijze van bezorging te kiezen. In het onderhavige geval gaf de griffier zijn instructie (het oproepingsbericht onder nieuw recht) op 12 juli 2016 en werd betekend op 20 juli 2016 (dus ruim binnen de twee weken van artikel 112 (nieuw) Rv).
-
B. Braun ontleent recht op bescherming aan artikel 4 en Pro artikel 7 lid 2 EEX Pro-Verordening. Derhalve is artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van toepassing en heeft B. Braun tegenover de Nederlandse Staat en daarmee ook tegenover de Nederlandse rechterlijke macht recht op een doeltreffende voorziening in rechte. Onverkorte hantering van het strikte uitgangspunt naar Nederlands recht met betrekking tot de appeltermijn zou B. Braun een doeltreffende voorziening onthouden en dat nog wel op een moment dat de wetgever heeft besloten tot een wetswijziging die tot gevolg zal hebben dat B. Braun zeker ontvankelijk zou zijn. Niet-ontvankelijkheid is derhalve in strijd met het Unierecht.
14. Naar het oordeel van het hof zijn in de onderhavige zaak geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die rechtvaardigen dat een uitzondering wordt gemaakt op de strikt te handhaven appeltermijn van artikel 339 lid 2 Rv Pro. Vast staat dat B. Braun ruim voor het verstrijken van de appeltermijn bekend was met het vonnis. Gesteld noch gebleken is dat er aan de zijde van B. Braun een beletsel heeft bestaan om de appeldagvaarding tijdig te doen betekenen. Noch de belangen van partijen, noch een relatief geringe termijnoverschrijding, noch deze omstandigheden tezamen, rechtvaardigen dat een uitzondering wordt gemaakt op de strikte regels inzake rechtsmiddeltermijnen (HR 21 februari 2014, NJ 2014/131).
14. Het toezenden van een concept van een appeldagvaarding aan de advocaten van Becton c.s. en aan het hof kan niet gelijk worden gesteld aan betekening noch aan het indienen van een procesinleiding in de zin van de nog niet in werking getreden artikelen 343 jo. artikel 111 en Pro artikel 112 (nieuw) Rv zo op die bepalingen al geanticipeerd zou kunnen worden. In het belang van een goede rechtspleging dient ook omtrent het instellen van een rechtsmiddel duidelijkheid te bestaan. Met dat uitgangspunt verdraagt zich niet dat zonder redelijke grond wordt afgeweken van de voorschriften die de wet stelt omtrent de wijze van het instellen van een rechtsmiddel.
14. De stelling dat B. Braun bij onverkorte toepassing van de appeltermijn een doeltreffende voorziening wordt onthouden, faalt aangezien B. Braun voldoende gelegenheid heeft gehad om hoger beroep in te stellen.
14. Voor zover B. Braun zou willen stellen dat het hof haar heeft geïnstrueerd de appeldagvaarding op 20 juli 2016 te betekenen, faalt die stelling. Het hof heeft een dergelijke instructie niet gegeven. B. Braun heeft de griffier van het hof op 11 juli 2016 meegedeeld dat de appeldagvaarding op 20 juli 2016 al betekend zou kunnen worden. Het behoort in een dergelijk geval niet tot de taak van de rechter of de griffier noch is het hun toegestaan om de advocaat te wijzen op de appeltermijn.
14. Het aanbod van B. Braun (akte van 2 augustus 2016, nr. 45) het feit te bewijzen dat onder 7. reeds als vaststaand is aangenomen, is niet ter zake dienend.
14. De slotsom is dat B. Braun niet-ontvankelijk dient te worden verklaard en in de kosten zal worden veroordeeld. Becton c.s. vordert veroordeling van B. Braun in de kosten als bedoeld in artikel 1019h Rv. De kosten gemaakt van 6 juli 2016 tot en met 15 juli 2016 (€ 28.795,-, prod. B. Becton c.s., blad 2-4) worden aangemerkt als voorbereidende werkzaamheden die betrekking hebben op geschilpunten die onder het bereik van artikel 1019h Rv vallen. De kosten die na 15 juli 2016 zijn gemaakt (honorarium en vertaalkosten), betreffen de ontvankelijkheidsvraag vanwege de termijnoverschrijding en de vaststelling van de omvang van de kosten. Deze kosten vallen niet onder het bereik van artikel 1019h Rv en worden begroot met toepassing van het liquidatietarief (HR 11 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:390 en HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR: 2016:1087) op € 2.235,- (2,5 punt aan tarief II).

Beslissing

Het hof:
- verklaart B. Braun niet-ontvankelijk;
- veroordeelt B. Braun in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Becton c.s. bepaald op € 718,- aan griffierecht en op € 31.030,- aan salaris voor de advocaat;
- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.E.H.M. Pinckaers, E.J. van Sandick en M.M. Olthof en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 december 2016 in aanwezigheid van de griffier.