Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 22 november 2016
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“Op basis van dergelijke gegevens ging politie en O.M. er van uit dat [appellant] hand en spandiensten verleende. Later is aan de hand van afgelegde verklaringen het beeld (ook voor het O.M.!) veranderd. Maar zo is het begonnen. (…) Uiteindelijk heeft de rechter geoordeeld dat in dit concrete geval [appellant] strafrechtelijk niets te verwijten viel. Dat gun ik hem uiteraard van harte.”
“Klagers zijn – achteraf gezien – ten onrechte aangehouden en hebben daar veel leed van ondervonden. Echter voor genoegdoening is er de procedure van artikel 89 en Pro 591 Wetboek van strafvordering. De procedure wegens schade uit onrechtmatige daad tegen de Staat zijn klagers in het ongelijk gesteld. Het lijkt er op dat klagers via de procedure van artikel 12 Wetboek Pro van strafvordering alsnog hun gram willen halen tegen de personen die verantwoordelijk zijn voor hun leed. Daar is deze procedure echter niet voor bestemd.”
Grief Ikomt op tegen het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van de situatie dat dwangmiddelen zijn toegepast in strijd met de wet dan wel met veronachtzaming van fundamentele vereisten. [appellanten] voeren aan dat de rechtbank is uitgegaan van de onjuiste premisse dat de verdenking ten tijde van de arrestatie van [appellanten] en de inverzekeringstelling van [appellant] op goede gronden tot stand was gekomen, terwijl die verdenking volledig was gebaseerd op de eerste uitwerking van het telefoongesprek van 12 november 1999, waarin ten onrechte door verbalisant [verbalisant 2] is verwerkt dat gezegd zou zijn dat derden de loods nog langer wilden huren.
grief IIIvoeren [appellanten] aan dat de Staat onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld doordat tot drie maal toe een nieuwe transcriptie is uitgewerkt van het telefoongesprek van 12 november 1999, die belastend voor hen was, terwijl zij daardoor ten onrechte als verdachte zijn aangemerkt en bloot hebben gestaan aan een langdurige vervolging.
“[L] wil langer huren / auto [T]”. In de uitwerking is opgenomen dat door [verdachte 2] is gezegd
“zeg maar tegen Robert dat eeh, die [L], nog wilde huren, een maand”.In de uitwerking door [verbalisant 1] is als tekst van [verdachte 2] opgenomen:
“Ik moet nog eeh, ik moet nog eeh, zeg maar tegen [R] dat Eeh, die “[L]”, nog wilde huren, een maand.”Afgezien van het onderwerp in het tapjournaal, komen deze uitwerkingen op hoofdlijnen overeen en is dus niet in te zien hoe hiermee door de Staat onrechtmatig is gehandeld, dit overigens nog daargelaten dat er geen grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de Staat voor het handelen van [verbalisant 1] niet aansprakelijk is (rov. 4.21 van het bestreden vonnis).
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 20 januari 2010;
- wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde;
- veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 314,- aan verschotten en € 2.682,- aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.