Conclusie
1.Feiten en procesverloop
primair en subsidiairten laste is gelegd, op grond van de omstandigheid, dat niet is gebleken dat de verdachte, op het moment dat hij de sleutels van het bedrijfspand (...) afstond aan een derde, bekend was met voornemen van die derde en/of anderen om in dat pand een XTC-laboratorium te vestigen.
meer subsidiairtenlastegelegde medeplichtigheid aan het door een ander of anderen gepleegde gronddelict (kort gezegd, het exploiteren van een XTC- laboratorium) niet wettig en overtuigend bewezen. Medeplichtigheid in de vorm van het gelegenheid bieden tot het plegen van het gronddelict, door het bedrijfspand (...) aan die ander of anderen ter beschikking te stellen, is op grond van de hierboven omschreven omstandigheid niet bewijsbaar.
Lange wil langer huren/auto [A]”.In de uitwerking is opgenomen dat door [betrokkene 3] is gezegd
“zeg maar tegen [eiser 1] dat eeh, die Lange, nog wilde huren, een maand”.In de uitwerking door [betrokkene 1] is als tekst van [betrokkene 3] opgenomen:
“Ik moet nog eeh, ik moet nog eeh, zeg maar tegen [eiser 1] dat Eeh, die “lange", nog wilde huren, een maand.” Afgezien van het onderwerp in het tapjournaal, komen deze uitwerkingen op hoofdlijnen overeen en is dus niet in te zien hoe hiermee door de Staat onrechtmatig is gehandeld, dit overigens nog daargelaten dat er geen grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de Staat voor het handelen van [betrokkene 1] niet aansprakelijk is (rov. 4.21 van het bestreden vonnis).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
culpaof mate van verwijtbaarheid, maar duidt op betrokkenheid bij het feit, op `het gedaan hebben'. Voldoende is een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. Een subjectief vermoeden van de opsporingsambtenaar is niet genoeg: de wet vereist dat het vermoeden berust op feiten of omstandigheden. Deze objectivering (gebondenheid aan feiten of omstandigheden en aan de redelijkheid) brengt mee dat een rechter moet kunnen toetsen of de opsporingsambtenaar dan wel officier van justitie uit de hem/haar bekende feiten en omstandigheden het vermoeden heeft kunnen putten van schuld van de betrokkene aan enig strafbaar feit. Dit wordt ‘
ex tunc’bepaald. Een bevestigend antwoord is − logisch beschouwd − mogelijk, óók wanneer in een later stadium van het strafvorderlijk onderzoek betere informatie is verkregen en het redelijk vermoeden vanaf dat moment ophoudt te bestaan.
ex parte’), waarin de verdachte niet wordt gehoord. Eventuele bezwaren tegen het feit dat hij wordt aangemerkt als verdachte in de zin van art. 27 Sv Pro, zal de betrokken verdachte eerst te berde kunnen brengen bij gelegenheid van zijn verhoor door de rechter-commissaris of wanneer hij door deze wordt gehoord over een vordering tot voorlopige hechtenis, in een bezwaarschrift tegen de dagvaarding of kennisgeving van verdere vervolging (zie art. 250 en Pro 262 (oud) Sv) en/of tijdens het onderzoek ter terechtzitting. Het eenzijdige karakter van de procedure maakt m.i. dat de beslissing van de rechter-commissaris tot het openen van een g.v.o. weliswaar onaantastbaar is, maar bezwaarlijk kan worden aangemerkt als een voor de verdachte openstaande, met voldoende waarborgen omklede rechtsgang waarin hij zijn bezwaren tegen het openen van een g.v.o. aan een rechter heeft kunnen voorleggen.
als gevolg hiervanzijn blootgesteld aan de verdenking en de daarop gebaseerde strafvervolging. Dat oordeel is rechtens onjuist, noch onbegrijpelijk: bij zijn verwijzing naar het vonnis van de rechtbank, doelt het hof op de overige omstandigheden genoemd in rov. 4.3 en 4.4 Rb (zie ook alinea 2.18 hierna). Onderdeel 2.1.2 faalt.
Vast staat immers dat in het door [eiser] gehuurde bedrijfspand een XTC-laboratorium in gebruik was, [eiser] contact had met een of meerdere verdachten en [eiser] aan een van hen de sleutels van het bedrijfspand en de toegangscode van het alarm heeft verschaft. Ten aanzien van [eiseres] staat vast dat zij de partner is van de man die het bedrijfspand huurde waarin het XTC-laboratorium werd geëxploiteerd. Tevens staat vast dat zij telefonisch contact heeft gehad met een van de verdachten en op 16 november 1999 een bezoek heeft gebracht aan het bedrijfspand.” Het hof heeft zich hierbij aangesloten, zo blijkt uit rov. 23, waarin het hof vaststelt dat er meer feiten waren waarop de toepassing van de dwangmiddelen, het redelijk vermoeden van schuld en de vervolging waren gebaseerd. Hieraan verbond het hof de gevolgtrekking dat eisers onvoldoende feiten of omstandigheden hebben gesteld om het oordeel te kunnen dragen dat bij een andere (volgens eisers: juiste) schriftelijke uitwerking van het telefoongesprek er geen verdenking zou zijn geweest. Daarmee heeft het hof het standpunt dat de door eisers bedoelde (niet aan het hof overgelegde) uitwerking van het telefoongesprek de basis heeft gevormd van de verdenking en daarmee van eisers inverzekeringstelling, voldoende gemotiveerd verworpen: zo die uitwerking al deel heeft uitgemaakt van het dossier waarover de rechter-commissaris beschikte, is de inhoud daarvan niet beslissend geweest voor het oordeel dat van meet af aan sprake was van een redelijke verdenking. Onderdeel 2.1.3 faalt.
nog daargelaten dat geen grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de Staat voor het handelen van [betrokkene 1] niet aansprakelijk is (rov. 4.21 van het bestreden vonnis)”. Uit deze formulering (“daargelaten”) volgt dat het gaat om een overweging ten overvloede. Bij een klacht tegen een overweging die de beslissing niet draagt missen eisers belang. Overigens is de bestreden toevoeging niet onbegrijpelijk: de rechtbank heeft in rov. 4.21 uiteengezet dat de Staat niet aansprakelijk is voor gedragingen van [betrokkene 1], omdat deze werkzaam is bij een andere, van de Staat te onderscheiden rechtspersoon (te weten de regiopolitie, thans nationale politie). Het hof gaat blijkbaar ervan uit dat dit ook geldt voor de rechercheur [betrokkene 4]. Onderdeel 2.14 faalt.
that there had never been any reason to suspect him in circumstances where he was claiming damages in his regard”. Het EHRM wijst erop dat de vrijspraak van Bok “
did not mean that he was dispensed from the obligation of having to prove his claim for damages in civil proceedings in according with the applicable domestic rules regarding burden of proof”.
probandum(dat voortvloeit uit het arrest-Begaclaim) en anderzijds de bewijsmiddelen die kunnen worden ingezet om het
probandumte bewijzen. Onderdeel 2.1.8 faalt.
bis) bevat een ‘veegklacht’ die zelfstandige betekenis mist. Deze klacht deelt het lot van de voorafgaande middelonderdelen en behoeft verder geen bespreking.