Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 11 april 2017
[verzoeker] ,
Haagse Milieu Services,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Is niet toegestaan. Dat is meegedeeld door het management”. Ook is [verzoeker] voorgehouden dat uit onderzoek was gebleken dat hij geld had ontvangen voor het meenemen van extra afval. Later in het gesprek heeft [verzoeker] pas erkend dat hij 15 euro had aangenomen van klant AMAR. Dat hij een valse bekentenis zou hebben afgelegd, is daarom niet geloofwaardig. Ook de aanvullende verklaring die [verzoeker] op eigen verzoek op 7 juli 2015 heeft afgelegd, waarin hij afstand heeft genomen van de bekentenissen die hij heeft gedaan op 2 juli 2015, werpt hierop in de gegeven omstandigheden geen ander licht.
ik heb het nooit gedaan om rijk van te worden, ik ben onbewust dom bezig geweest”heeft [verzoeker] tijdens het getuigenverhoor eveneens een ongeloofwaardige verklaring gegeven, te weten dat hij dom is geweest door het extra afval mee te nemen, dat hij dit gewoon had moeten laten staan. Een (logische) verklaring voor zijn opmerking dat hij dit niet heeft gedaan om er rijk van te worden, heeft [verzoeker] evenmin gegeven. Ten aanzien van de getuigenverklaring van [verzoeker] heeft nog te gelden dat het hof niet is gebleken dat de gevolgen van het herseninfarct van [verzoeker] in 2012/2013 hem belemmerd hebben om als getuige ter zitting de vragen van de raadsheer-commissaris te beantwoorden. In dit verband merkt het hof volledigheidshalve nog op, zoals ook is overwogen in rechtsoverweging 13 van voornoemd tussenbeschikking, dat de neuropsycholoog heeft geconcludeerd dat [verzoeker] niet ernstig wordt belemmerd door de gevolgen van zijn herseninfarct. De neuropsycholoog schrijft immers in zijn verslag dat gezien de beperkte aard van de bevindingen (geheugentaken, aandacht en concentratie en de psychomotoriektaken waren ongestoord) de gevonden afwijkingen (dyslexie, dyscalculie, de mogelijkheid om kortdurend informatie op te slaan en het werkgeheugen) klinisch nauwelijks relevant zijn.
Op 21 april hebben we ieder 10 euro gekregen en 11 mei hebben we ieder 5 euro gekregen. Op den duur zijn we ermee gestopt omdat we onze eigen route niet afkregen. Dit was eind mei, toen zijn we gestopt met extra meenemen. Ik wil geen geld meer aannemen, dit moest stoppen.”Het hof is van oordeel dat er geen twijfel over kan bestaan dat deze verklaring betrekking had op [collega X] en [verzoeker] , in elk geval wat 11 mei 2015 betrof, aangezien de bekentenis vrijwel direct volgde op het vertonen van de beelden van de afvalinzameling op 11 mei 2015. In zoverre komt het hof dan ook terug op zijn oordeel in rechtsoverweging 16 in de tussenbeschikking, dat niet duidelijk uit de verklaring van [collega X] blijkt op wie hij doelde als hij over ‘we’ spreekt in relatie tot het aannemen van geld.
“Ik ken deze brief. De brief was duidelijk…”).
Beslissing
- bekrachtigt de bestreden beschikking van de kantonrechter Den Haag van 30 oktober 2015;
- veroordeelt [verzoeker] in de kosten van de procedure, aan de zijde van HMS begroot op € 718,- aan griffierecht, € 125,- aan getuigentaxe en € 2.682,- voor salaris van de advocaat;
- wijst af het meer of anders verzochte.