Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 29 augustus 2017
[appellant],
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“daarmee de zuiverheid van dat register[Hof: het kentekenregister]
ernstig zou worden aangetast.” De RDW adviseert [appellant] in dit besluit om in het geval hij niet verantwoordelijk is geweest voor de voertuigen vóór de datum van vervallenverklaring, zich te wenden tot de instanties die hem in verband met deze voertuigen aansprakelijk hebben gehouden, zoals de officier van justitie en de Belastingdienst.
“betrokkene[[appellant], hof]
heeft geleden door de ten onrechte ondergane gijzelingen en ten onrechte door betrokkene of diens familie uitgezeten en/of betaalde boetes en ten onrechte door hem betaalde belastingen”.
grief 1komt [appellant] (mede gelet op de toelichting op de grief) op tegen het oordeel van de rechtbank dat zijn vorderingen tot schadevergoeding zijn verjaard.
Grief 2is gericht tegen een door de rechtbank gehanteerd uitgangspunt, namelijk dat de uitspraak van het EHRM niet leidt tot vernietiging van het door [appellant] gewraakte besluit van de RDW van 2 april 2004 noch tot vernietiging van de uitspraak van de ABRvS van 7 december 2005. Met
grief 3valt [appellant] het (ten overvloede gegeven) oordeel van de rechtbank aan ten aanzien van de gebrekkige onderbouwing van het causaal verband en (de omvang van) de schade. De memorie van grieven bevat ook klachten over de Wahv en de wijze waarop daaraan uitvoering wordt gegeven, alsmede over de onafhankelijkheid van de ABRvS.
feiten en omstandighedendie betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon; niet is vereist dat de benadeelde tevens bekend is met de
juridische beoordelingvan die feiten en omstandigheden (o.a. HR 26 november 2004, NJ 2006/115, ECLI:NL:HR:2004:AR1739). Evenmin is vereist dat de benadeelde met de exacte oorzaak van de schade bekend is (HR 20 februari 2004, NJ 2006/113, ECLI:NL:HR:2004:AN8903). Het is aan degene die zich op verjaring beroept, in dit geval dus de Staat, om de feiten te stellen en zo nodig te bewijzen die nodig zijn voor verjaring. Het is vervolgens aan de wederpartij, in dit geval [appellant], om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de verjaring is gestuit.
“in nationaal verband een rechtsvordering in te stellen zoals vereist voor verjaring van[een vordering]
tot rechtsherstel”(memorie van grieven 4) moet worden afgeleid dat [appellant] meent dat hij (ook) op 22 augustus 2008 nog niet bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, volgt het hof [appellant] daarin niet. [appellant] licht ook deze stelling immers niet, althans onvoldoende toe. [appellant] volstaat met een verwijzing in een voetnoot naar rechtsoverweging 4.4. van de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 september 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:7098), maar bedoelde overweging bevat slechts een weergave van de vaste jurisprudentie van de HR omtrent 3:310 BW en geeft geen antwoord op de vraag waarom in december 2005, althans op 22 augustus 2008, bij [appellant] nog geen sprake was van bekendheid met de schade en de aansprakelijke persoon als bedoeld in 3:310 BW. Het hof verwijst in dit verband naar het hierboven onder 9. overwogene.