Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
feiten en omstandighedendie betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon; niet is vereist dat de benadeelde tevens bekend is met de
juridische beoordelingvan die feiten en omstandigheden (o.a. HR 26 november 2004, NJ 2006/115, ECLI:NL:HR:2004:AR1739). Evenmin is vereist dat de benadeelde met de exacte oorzaak van de schade bekend is (HR 20 februari 2004, NJ 2006/113, ECLI:NL:HR:2004:AN8903). Het is aan degene die zich op verjaring beroept, in dit geval dus de Staat, om de feiten te stellen en zo nodig te bewijzen die nodig zijn voor verjaring. Het is vervolgens aan de wederpartij, in dit geval [eiser] , om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de verjaring is gestuit.
“in nationaal verband een rechtsvordering in te stellen zoals vereist voor verjaring van[een vordering]
tot rechtsherstel” (memorie van grieven 4) moet worden afgeleid dat [eiser] meent dat hij (ook) op 22 augustus 2008 nog niet bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, volgt het hof [eiser] daarin niet. [eiser] licht ook deze stelling immers niet, althans onvoldoende toe. [eiser] volstaat met een verwijzing in een voetnoot naar rechtsoverweging 4.4. van de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 september 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:7098), maar bedoelde overweging bevat slechts een weergave van de vaste jurisprudentie van de HR omtrent 3:310 BW en geeft geen antwoord op de vraag waarom in december 2005, althans op 22 augustus 2008, bij [eiser] nog geen sprake was van bekendheid met de schade en de aansprakelijke persoon als bedoeld in 3:310 BW. Het hof verwijst in dit verband naar het hierboven onder 9. overwogene.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
juridische beoordelingvan de relevante feiten en omstandigheden. [30]
gevorderd, begrijp ik aldus dat het hof wordt verweten dat het heeft miskend dat [eiser] art. 13 EVRM Pro als
grondslagvan zijn vordering heeft aangevoerd. Voorts wordt, zo begrijp ik, geklaagd dat het hof heeft miskend dat art. 13 EVRM Pro aan toepassing van art. 3:310 BW Pro in de weg zou staan.
Salah Sheekh v. Nederland. [46] Deze uitspraak, waarin overigens – anders dan door [eiser] wordt gesteld – door het EHRM géén schending van art. 13 EVRM Pro is aangenomen, ziet echter op de vraag of de klager in Nederland over een
effective remedykon beschikken tegen de afwijzing van diens asielaanvraag. [47] Uit de enkele verwijzing van [eiser] naar deze uitspraak valt geen beroep op art. 13 EVRM Pro ten aanzien van de verjaringskwestie af te leiden.
subonderdeel 1.2faalt. [48] Ten overvloede merk ik op dat het beroep op art. 13 EVRM Pro mijns inziens ook materieel niet slaagt. In het arrest
Stubbings v. Verenigd Koninkrijk [49] heeft het EHRM overwogen dat verjaringstermijnen diverse belangrijke doelstellingen dienen zoals het bevorderen van rechtszekerheid. De beperking op de toegang tot de rechter, die het verjaringsregime met zich brengt, is daarom in beginsel gerechtvaardigd mits de verjaringstermijn proportioneel is en het recht op toegang tot de rechter niet in de kern aantast. Hoewel er dus zeker gevallen denkbaar zijn waarin art. 13 EVRM Pro, al dan niet in combinatie met art. 6 EVRM Pro, aan een beroep op verjaring in de weg kan staan, [50] acht ik deze uitzonderingssituatie in de onderhavige zaak niet aan de orde. Kort gezegd wist [eiser] al geruime tijd wie hij moest aanspreken (en heeft hij de Staat ook aansprakelijk gesteld en de verjaring aanvankelijk ook gestuit [51] ), kon hij ook daadwerkelijk een rechtsvordering instellen en is het zijn eigen afweging geweest eerst de procedure bij het EHRM af te wachten.
Subonderdeel 1.3faalt derhalve.
onderdeel 1. Ik kom nu toe aan
onderdeel 2.
effective remedyfrustreert. Het onderdeel voert ter toelichting aan dat als [eiser] schadevergoeding via de bestuursrechter had kunnen vorderen en zijn vordering zou zijn afgewezen, hij niet in de proceskosten van de Staat zou zijn veroordeeld. Daarnaast stipt het onderdeel aan dat aan de Staat als ‘normale’ tegenpartij een (mede in verband met de hoogte van de vordering) hoog griffierecht is opgelegd waarbij geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat [eiser] een ‘arme particulier’ is. [68]
in dit gevaleen ongeoorloofde inperking vormt op art. 6 en Pro/of 13 EVRM. Gelijk ik hiervoor heb overwogen ten aanzien van art. 13 EVRM Pro, geldt ook voor de beoordeling van een beroep op art. 6 EVRM Pro dat dit een deels feitelijk karakter draagt, zodat een beroep op art. 6 EVRM Pro ingevolge art. 419 lid 2 Rv Pro niet voor het eerst in cassatie kan worden gedaan. [72] Daaraan doet mijns inziens niet af dat betoogd zou kunnen worden dat [eiser] pas bij arrest geconfronteerd wordt met de proceskostenveroordeling, nu het vaste praktijk is dat procespartijen over en weer veroordeling in de proceskosten vorderen en de Staat dit ook in eerste aanleg heeft gedaan. [73] [eiser] heeft zich er echter in feitelijke instanties niet op beroepen dat een proceskostenveroordeling in strijd zou zijn met art. 6 EVRM Pro en/of art. 13 EVRM Pro, zodat het onderdeel dient te falen. [74] Ten overvloede wijs ik daarbij op de uitspraak van 2 december 2016, [75] waarin Uw Raad oordeelt dat het risico van een proceskostenveroordeling bij de in Nederland voor dit soort zaken geldende tarieven geen onaanvaardbare drempel oplevert om op te komen tegen een (gestelde) schending van door het EVRM gewaarborgde rechten. [76]