ECLI:NL:GHDHA:2017:961
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2003 en vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn
Belanghebbende stelde beroep in tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2003, waarbij de Inspecteur een belastbaar inkomen van € 810.000 had vastgesteld. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, waarbij zij oordeelde dat belanghebbende niet de vereiste aangifte had gedaan, waardoor de bewijslast werd omgekeerd en verzwaard. De rechtbank achtte de schatting van de Inspecteur redelijk en wees het beroep af. Tevens kende de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 3.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.
In hoger beroep bevestigde het Hof Den Haag deze conclusies. Het Hof oordeelde dat het niet indienen van een verweerschrift door de Inspecteur niet leidde tot nadelige gevolgen voor de Inspecteur en dat de omkering van de bewijslast terecht was toegepast. De Inspecteur had aannemelijk gemaakt dat de aanslag berustte op een redelijke schatting van het belastbare inkomen. Belanghebbende had onvoldoende bewijs geleverd dat de aanslag te hoog was vastgesteld, onder meer omdat hij geen zakelijke goodwill aannemelijk had gemaakt.
Het Hof stelde vast dat de redelijke termijn van behandeling van het geschil was overschreden met circa drieënhalf jaar, voornamelijk door de duur van procedures bij het gerechtshof Amsterdam en de rechtbank na verwijzing. De Staat werd veroordeeld tot een vergoeding van € 3.500 voor immateriële schade en € 1.485 aan proceskosten, alsmede € 162 aan griffierecht. Het hoger beroep werd daarmee ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd, met bevestiging van de uitspraak op bezwaar.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag IB/PVV 2003 wordt bevestigd met vergoeding van immateriële schade en proceskosten aan belanghebbende.