Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Beschikking van 13 februari 2018
[naam 1] ,
[X B.V.] ,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
ernstig verwijtbaarheeft gehandeld buiten de rechtsstrijd is getreden, aangezien [X B.V.] aan haar verzoek tot ontbinding slechts
verwijtbaarhandelen ten grondslag had gelegd, wordt door het hof verworpen. [X B.V.] stelt in het verzoek tot ontbinding primair dat er sprake is van een dringende reden (“een dringende reden (in de zin van artikel 7:678 BW Pro), althans verwijtbaar handelen”), hetgeen hier, gelet ook op de onderschikking en de aard van de aan [verzoeker] verweten gedragingen ernstig verwijtbaar handelen impliceert. Verder wordt in het verzoekschrift betoogd dat [verzoeker] zijn verplichtingen als werknemer op ernstige wijze heeft verwaarloosd/veronachtzaamd, hetgeen ook te duiden valt als ernstig verwijtbaar handelen. Overigens is dit punt niet relevant nu [X B.V.] in hoger beroep (alsnog, voor zover dat niet gebeurd zou zijn) duidelijk in haar stellingen aangeeft dat het bekritiseerde gedrag van [verzoeker] als ernstig verwijtbaar handelen valt aan te merken. Daarmee is een mogelijk mankement in hoger beroep in ieder geval gerepareerd.
. Zij had een mannengiletje aan en dat heb ik gepast. Op het moment dat ik hem uit deed stond ik in mijn blouse. [verzoeker] stond hierbij en pakte mij toen bij mijn borsten. (…) Hierop reageerde ik door te zeggen dat hij dit niet moest doen en ik gaf hem een schop. (…)
(…) zei. Hij[hof: die kennis]
zei toen dat [verzoeker] iets zei in de zin van dat ik een “geil wijf” was. Ik vond dit erg respectloos, vooral omdat ik het niet kon verstaan.
nam mijn dienst over en paste het gilletje dat ik van [verzoeker] geleend had. Het gilletje was iets te groot voor haar. [verzoeker] pakte toen [collega 1] bij haar borsten en zei dat ze kleinere horsten had en dat het daarom te wijd was. (…) [collega 1] gaf [verzoeker] een trap.
langslopen en ik keek hem recht in zijn gezicht zodat ik zeker wist dat hij dit ook gezien had. (…) Later op diezelfde wisseling kwam [verzoeker] weer bij mij staan en aaide hij met zijn hand over mijn rug en billen. Ik duwde hem weg. (…) Ik zei iets in de zin van “sodemieter nou eens op viespeuk”. Ik zei dit wel een beetje lacherig. Niet heel
(…). Zij[ [collega 1] ]
vertelde dat [verzoeker] aan haar borsten had gezeten. Ik was er niet verbaast over. Ik had al wel vaker iets gezien. [verzoeker] is erg “aanrakerig”. Hij slaat snel een arm om je heen of om je middel. In dezelfde week dat [collega 1] mij vertelde over het incident met [verzoeker] heb ik gezien dat [verzoeker] aan de billen van [collega 2][hof: [collega 2] ]
heeft gezeten. Ik zag toen dat [collega 2] hem wegduwde. Ik heb het een en ander gezien op het beeldscherm in mijn kantoor waar ik op dat moment was. (…)[Ook]
heb ik[op een ander moment]
gezien dat [verzoeker] tegen [collega 2] aan stond terwijl zij de wasmachine aan het verschonen was. (…)
Beslissing
- bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de kantonrechter Rotterdam van 16 juni 2017;
- veroordeelt [verzoeker] in de kosten op het hoger beroep gevallen, tot op heden aan de kant van [X B.V.] begroot op € 716,-- aan griffierecht en € 1.788,-- aan salaris advocaat;
- wijst het meer of anders verzochte af.