Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 20 februari 2018
[appellant 1],
Aerdenburgh Holding B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
subsidiaire grondslagvan de vordering) van Aerdenburgh kan worden toegewezen.
“(…) is Aerdenburgh subsidiair van mening dat partijen reeds in een zodanig vergevorderd stadium van onderhandelen waren geraakt dat zij er op mocht vertrouwen dat de overeenkomsten van huur en koop tot stand zouden komen zodat [appellanten] de onderhandelingen niet hadden mogen beëindigen op de wijze zoals zij hebben gedaan, althans dat zij onrechtmatig hebben gehandeld door de onderhandelingen af te breken zoals zij hebben gedaan.”
“ieder verder overleg abrupt af te breken”, maar zij deed dat in het kader van de beoordeling van de vraag of er al een overeenkomst tot stand was gekomen. Dat blijkt uit hetgeen voor en na deze overweging is opgenomen, in het bijzonder de conclusie dat Aerdenburgh
“nakoming daarvan”mocht verlangen. Die overweging slaat terug op de zinsnede
“de reeds overeengekomen punten”en heeft dus betrekking op de primaire vordering. Er was voor de kantonrechter ook geen reden om een beslissing te nemen over de subsidiaire (grondslag van de) vordering aangezien zij van oordeel was dat de primaire vordering slaagde. Onder deze omstandigheden behoefden [appellanten] ook geen grief te formuleren die op de subsidiaire grondslag van de vordering was gericht, dit overigens nog daargelaten dat zij in de memorie van grieven (pagina 4, onderaan) als een van de conclusies van hun betoog ook hebben aangevoerd dat het Aerdenburgh was die de onderhandelingen heeft afgebroken, althans, niet bereid was om te onderhandelen.
conceptis aangeduid, is aan [appellant 1] op 1 maart 2010 om 17.52 uur toegezonden. Dat is zodanig kort voor de afgesproken opleveringsinspectie dat niet valt in te zien waarom [appellanten] vóór dat moment hun bezwaren al kenbaar hadden moeten maken, zoals Aerdenburgh stelt (pagina 8 pleitnota hof).
“je hebt al getekend. Nu moet je eerst de huurovereenkomst tekenen en dan gaan we onderhandelen”.Toen [appellant 1] weigerde te ondertekenen heeft [directeur] er vervolgens een makelaar bij gehaald om zijn standpunt kracht bij te zetten en [appellant 1] voorgehouden dat het een
“rechtszaak zou worden”indien [appellant 1] niet zou tekenen. Uit deze door [appellant 1] als getuige geschetste gang van zaken is af te leiden dat Aerdenburgh over de concept-overeenkomst niet verder wilde onderhandelen, althans niet voordat deze was ondertekend.
“een soort dwangbevel kreeg”en dat hem werd gezegd
“eerst tekenen, dan onderhandelen”. Ook volgens [getuige] is vervolgens een rechtszaak aangekondigd voor het geval [appellant 1] de hem voorgelegde overeenkomst niet zou tekenen en is er een derde bijgehaald om het standpunt van Aerdenburgh kracht bij te zetten.
Beslissing
- vernietigt de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Haarlem van 8 december 2010 en 4 mei 2011;
- wijst de vorderingen van Aerdenburgh af;
- veroordeelt Aerdenburgh tot betaling aan [appellanten] van al hetgeen [appellanten] op basis van de hierbij vernietigde vonnissen van de kantonrechter van 8 december 2010 en 4 mei 2011 aan Aerdenburgh hebben betaald vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling aan Aerdenburgh tot aan de dag van de algehele terugbetaling aan [appellanten];
- veroordeelt Aerdenburgh in de kosten van het geding tot op heden aan de zijde van [appellanten] begroot op: