Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
zwarte lijstvan art. 6:236 BW Pro – de lijst met bedingen die als zij jegens een ‘consument’ als algemene voorwaarde zijn gehanteerd worden
geachtonredelijk bezwarend te zijn – als op de
grijze lijstvan art. 6:237 BW Pro – de lijst met bedingen die als zij jegens een ‘consument’ als algemene voorwaarde zijn gehanteerd worden
vermoedonredelijk bezwarend te zijn – wordt een beding met betrekking tot verjaring en/of verval genoemd.
verjaringstermijn(of een wettelijke vervaltermijn in een kortere vervaltermijn). Zij ziet derhalve niet op contractuele vervalbedingen die geen verkorting van een wettelijke vervaltermijn opleveren, ook al hebben zulke bedingen (die immers tot het teniet gaan, na de gestelde termijn, van het recht van de wederpartij leiden) tevens consequenties voor de verjaringstermijn. Of dergelijke bedingen al dan niet geoorloofd zijn, valt niet in het algemeen te zeggen. Derhalve is daarvoor een bepaling in artikel 4 opgenomen Pro; men zie artikel 4 onder Pro h [art. 6:237 onder Pro h BW, A-G].” [14]
mutatis mutandiseveneens voor vervalbedingen. Dergelijke bedingen kunnen dus slechts worden getoetst aan de open norm van art. 6:233 BW Pro, zonder dat het beding een onredelijk bezwarend karakter wordt vermoed of zelfs geacht te hebben. Dat blijkt ook uit de wetsgeschiedenis die daarbij overigens wél suggereert dat dergelijke bedingen bij die toetsing aan de open norm meteen op een zekere achterstand staan:
de factoeen wettelijke verjaringstermijn vervangen, vallen onder art. 6:237 onder Pro h BW. [16]
verjaringstermijn vervangt en verkort, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting, nu dergelijke bedingen wel onder deze wetsbepaling vallen (hiervoor randnummer 3.11). Indien echter het hof heeft geoordeeld dat het vervalbeding een wettelijke vervaltermijn verkort, is het oordeel onvoldoende gemotiveerd. Mede in het licht van het partijdebat, waarbij door geen van partijen wordt gesteld dat een wettelijke vervaltermijn van toepassing was op de vorderingen van [eisers] , en het feit dat in de wet slechts in specifieke gevallen vervaltermijnen zijn opgenomen, is zonder nadere motivering – die ontbreekt – niet begrijpelijk welke wettelijke vervaltermijn door het vervalbeding zou worden verkort.
onderdeel 1terecht is voorgesteld en het bestreden arrest op grond daarvan moet worden vernietigd.
Onderdeel 2betoogt dat dit oordeel niet is gemotiveerd en daarmee onbegrijpelijk is.
Onderdeel 3betoogt dat het hof hierbij ten onrechte een aantal door [eisers] aangevoerde, volgens het onderdeel essentiële, omstandigheden niet kenbaar heeft betrokken. Het betreft een achttal omstandigheden, in het onderdeel weergegeven onder (i) tot en met (viii).
onderdeel 3tevergeefs is voorgesteld.
onderdeel 1slaagt en de
onderdelen 2 en 3falen. In het spoor van onderdeel 1 slaagt ook de in randnummer 18. van de procesinleiding opgenomen voortbouwende klacht, die zich richt tegen de vaststelling van het hof dat het vonnis van de rechtbank moet worden bekrachtigd. De conclusie strekt derhalve tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.