Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 29 januari 2019
[appellant] ,
AENOVA B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“Betrokkene is in de afgelopen jaren regelmatig langdurig uitgevallen met dezelfde klachten en beperkingen als waar hij nu voor is uitgevallen. In de vorige arbeidsongeschiktheidsperiode (2009/2010) is hij gestructureerd in een passende werkomgeving gere-integreerd in één onderdeel van zijn functie. Daarna zou hij het volledige takenpakket weer oppakken, maar door veranderingen in de werksituatie is hij weer volledig uitgevallen. De beperkingen zijn gelegen in persoonlijk en sociaal functioneren. Het “zo zijn” van betrokkene heeft hem in de loop der jaren geleerd om hiermee om te gaan en heeft hij goede strategieën bedacht om zijn beperkingen mee te compenseren. Door de nieuwe ontwikkelingen, de veelvuldige veranderingen die gestaag door zullen gaan in de automatisering, is het voor hem niet goed mogelijk daarop te anticiperen, waardoor het huidige werk bij deze werkgever als niet passend wordt beschouwd. Het eigen werk is niet passend te maken door voorzieningen of aanpassingen. (..)”
‘deskundigenoordeel re-integratie inspanningen van de werkgever’opgemaakt, naar aanleiding van een aanvraag daartoe van [appellant] van 18 juni 2012. De re-integratie inspanningen van Aenova zijn toen als voldoende beoordeeld. Weliswaar startte het 2e spoortraject niet binnen de voorgeschreven 6 weken, maar dat was het gevolg van de problematiek van [appellant] en de tijd die het kostte om een bureau (bureau Voorzet) te vinden dat hem zou begeleiden. Volgens het UWV is in het onderzoek duidelijk geworden dat de werkgever alles wat in redelijkheid gevraagd kan worden gedaan heeft en zijn er geen re-integratiekansen gemist. Aenova kon volgens de arbeidsdeskundige een deugdelijke grond aanvoeren waarom er tijdelijk niet intensief met [appellant] was gecommuniceerd.
Dat hij deze arbeidsovereenkomst kreeg aangeboden op een moment dat hij al langere tijd niet meer als softwareontwikkelaar had gewerkt, maakt niet dat aan Aenova in dit opzicht een relevant verwijt te maken valt.
“Verder wordt mijn gesprek met de heer [I] verkeerd verwoord of geïnterpreteerd. Ik stop dus met de communicatie met de heer [I] om verdere misverstanden te voorkomen.”In deze e-mail (productie 27 bij het inleidend verzoekschrift) reageert Aenova echter uit kennelijke frustratie op de reactie van [appellant] op de bijstelling van het plan van aanpak en zijn verzet tegen het 2e spoor traject. Uit de door Aenova bij conclusie van antwoord in eerste aanleg overgelegde productie 19 blijkt dat zij [appellant] wel ruimte heeft gegeven om zijn jobcoach [I] bij voorkomende gesprekken te betrekken. De inzet op de begeleiding door bureau Voorzet door Aenova werd bovendien wel degelijk voortgezet, blijkens de opdracht van Aenova van 21 mei 2012 aan Voorzet tot begeleiding van [appellant] tot 31 mei 2013. Het handelen van Aenova in het kader van haar re-integratie inspanningen voor wat betreft de rol van de jobcoach is gelet op het voorgaande weliswaar niet steeds vlekkeloos geweest, maar in het totaal van de gepleegde re-integratie inspanningen en de inzet van bureau Voorzet gedurende lange tijd op kosten van Aenova, leidt dit niet tot de conclusie dat Aenova tekort is geschoten in haar re-integratieverplichtingen jegens [appellant] ..
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter te Den Haag van 30 mei 2017;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Aenova tot op heden begroot op € 1.952,- aan verschotten en € 3.918,- aan salaris advocaat en op € 131,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 68,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;
- wijst af het meer of anders gevorderde;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.