Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 26 november 2019
in de zaak met zaaknummer 200.246.685/01 van:
VORM Bouw B.V.,
[naam] ,
[naam] ,
VORM Bouw B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Jaarlijks ontvangt de werknemer in de maand juni een tantième bij voldoende bedrijfsresultaat. Daar waar sprake is van bedrijfsresultaat of winst, wordt de winst na belasting van VORM Holding bedoeld. Voorwaarde voor een tantième is dat er een goedgekeurd jaarverslag van Vorm Holding beschikbaar is. De bepaling van de hoogte van het tantième wordt volgens onderstaande staffel berekend.
Je tantième wordt vanaf 1 januari 2018 volledig afhankelijk van (de) resultaten van transVORM en niet meer van de resultaten van VORM Holding.
De uitkering van je tantième over 2017 wordt niet uitgekeerd in juni 2018, maar deze wordt uitgekeerd in 3 termijnen, in respectievelijk juni 2019, juni 2020 en juni 2021. De voorwaarden waaronder dit wordt uitgekeerd is dat alle financiële doelen van transVORM zijn behaald in dat betreffende jaar. Als doelen in enig jaar niet worden gehaald, vervalt de termijn die gekoppeld is aan dat jaar.
(…)
om werkzaamheden te verrichten die in voldoende mate appelleren aan de kennis en vaardigheden van [verweerder] en waarvan VORM Bouw erkent dat [verweerder] die bezit’. De gevorderde berichtgeving binnen de organisatie is afgewezen.
- de arbeidsovereenkomst van 2009 is in 2013 gewijzigd. In de brief van 7 december 2012 van VORM Bouw aan [verweerder] is bevestigd dat zijn winstdeling met ingang van 1 januari 2013 rechtstreeks is gekoppeld aan de winst van het nieuwe bedrijf transVORM. [verweerder] is per die datum gestart in zijn nieuwe functie van adjunct-directeur van transVORM, en heeft daarmee ook de nieuwe tantièmeregeling aanvaard. Dat hij de gewijzigde arbeidsovereenkomst niet heeft ondertekend, doet hier niet aan af. Het is in strijd met de bedoeling van partijen om aan [verweerder] een tantième toe te kennen bij een negatief resultaat van transVORM over 2017 van € 1.392.000,-- en dit staat ook haaks op het ondernemerschap waarvoor [verweerder] heeft gekozen als adjunct-directeur van transVORM;
- dat VORM Bouw tot en met 2016 geen uitvoering heeft gegeven aan de in 2013 gemaakte afspraken en aan [verweerder] een tantième is blijven uitkeren op basis van de resultaten van VORM Holding, doet aan die afspraken niet af. VORM Bouw mocht hiervan om haar moverende redenen afwijken. Bovendien wordt in iedere tantièmebrief vermeld dat de uiteindelijke beslissing omtrent de voorwaarden voor toekenning en de hoogte van de winstdeling is voorbehouden aan de aandeelhouders en de directie. Voor [verweerder] is van deze optie gebruik gemaakt;
- nadat eind 2016 duidelijk was geworden dat transVORM ook over dat boekjaar verlies zou lijden, is door [de algemeen directeur] begin 2017 aan [verweerder] meegedeeld dat vanaf 1 januari 2017 zijn tantième direct gekoppeld was aan het resultaat van transVORM conform de met hem gemaakte afspraken bij de functiewijziging van 1 januari 2013;
- indien de gewijzigde arbeidsovereenkomst van 2013 niet geldt, dan geldt dat de arbeidsvoorwaarden van [verweerder] uit zijn arbeidsovereenkomst van 2009 van kracht zijn gebleven. Op grond hiervan heeft [verweerder] recht op een tantième over 2017 van € 120.000,-- bruto;
- dat [verweerder] met ingang van 2015 jaarlijks recht heeft op een vast extra percentage van 1,5% is niet overeengekomen. Evenmin is sprake van een verworven recht. In 2015 is besloten om de begrenzing van het winstbedrag van € 10 miljoen per jaar waarover tantième wordt uitgekeerd aan te passen voor adjunct-directeur [adjunct-directeur 1] , en om een extra percentage toe te voegen van 1,5%. [de algemeen directeur] heeft besloten om dit percentage ook aan [verweerder] toe te kennen, om hem te motiveren en te stimuleren. Daarbij is expliciet vermeld dat het tijdelijk opheffen van de begrenzing van € 10 miljoen per jaar iets is wat de directie jaarlijks kan besluiten wel of niet te doen, hetgeen ook expliciet in de bijlage bij de tantièmebrieven van juni 2016 en juni 2017 is vermeld. Het betreft geen collectieve, binnen VORM Bouw bestaande regeling. Ook voor zover [verweerder] op grond van de in 2009 gemaakte afspraken recht heeft op tantième berekend over de winst van VORM Holding, kan hij geen rechten ontlenen aan de tijdelijke toevoeging van het extra percentage van 1,5%;
Vast staat dat partijen in de arbeidsovereenkomst van [verweerder] van 2009 een jaarlijks tantième zijn overeengekomen in de maand juni, bij voldoende bedrijfsresultaat van VORM Holding en berekend over de winst van VORM Holding conform de in de arbeidsovereenkomst van 2009 vermelde staffel. De bij brief van 7 december 2012 door VORM Bouw aan [verweerder] aangeboden gewijzigde arbeidsovereenkomst hield wat betreft het overeengekomen tantième voor [verweerder] een aanzienlijke financiële verslechtering in. VORM Holding maakte op dat moment immers reeds enige tijd een aanzienlijke winst, terwijl het nieuwe bedrijf transVORM nog van start moest gaan. De door VORM Bouw aangeboden wijziging van de tantièmeregeling betekende dan ook feitelijk dat [verweerder] er redelijkerwijs van uit moest gaan dat hij in elk geval de eerstvolgende jaren waarschijnlijk niet het gebruikelijke (hoge) tantième zou ontvangen. In deze omstandigheden mocht VORM Bouw er slechts op vertrouwen dat [verweerder] instemde met de wijziging van de arbeidsovereenkomst op dit punt indien zij op grond van verklaringen of gedragingen van [verweerder] mocht aannemen dat deze welbewust met die wijziging instemde (vgl. HR 12 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3570). Daarvan is naar het oordeel van het hof in dit geval geen sprake geweest. De enkele omstandigheden dat [verweerder] op de hoogte was van het feit dat de brief van 7 december 2012 met het aanbod van VORM Bouw om adjunct-directeur van transVORM te worden tevens een wijziging bevatte van zijn recht op tantième, en dat hij in zijn memo van 16 december 2012 het aanbod om het nieuwe bedrijf onder zijn hoede te nemen “met beide handen” heeft aangegrepen, waarbij hij heeft verwezen naar het feit dat hij is opgegroeid in een ondernemersfamilie, zijn hiervoor onvoldoende. In dit memo heeft [verweerder] immers ook verwezen naar de aan hem “toegezegde gelijkblijvende arbeidsvoorwaarden”. Ook als, zoals [verweerder] stelt en VORM Bouw betwist, door [de algemeen directeur] niet (mondeling) aan [verweerder] is toegezegd dat zijn arbeidsvoorwaarden gelijk zouden blijven, mocht VORM Bouw er op grond van het memo van [verweerder] niet op vertrouwen dat [verweerder] met het accepteren van zijn nieuwe functie tevens akkoord ging met een verslechtering van zijn tantièmeregeling. Van een tussen partijen overeengekomen wijziging van de arbeidsovereenkomst van 2009 op dit punt is dan ook geen sprake geweest. Daar komt bovendien nog bij dat de inhoud van de door VORM Bouw aangeboden nieuwe tantièmeregeling in de brief van 7 december 2012 niet nader is gepreciseerd: een percentage en/of een staffel aan de hand waarvan het tantième over de winst van transVORM zou worden berekend is niet vermeld. Vast staat dat VORM Bouw aan [verweerder] ook na 2012 tantième is blijven uitkeren op basis van de winst van VORM Holding. Dat dit ‘uit coulance’ was, zoals VORM Bouw stelt, blijkt nergens uit, en doet – ook indien juist – niet af aan de rechten van [verweerder] op dit punt. De mededeling van [de algemeen directeur] begin 2017 aan [verweerder] dat vanaf 1 januari 2017 zijn tantième direct gekoppeld was aan het resultaat van transVORM conform de met hem gemaakte afspraken bij de functiewijziging van 1 januari 2013, brengt in het recht op tantième van [verweerder] overeenkomstig zijn arbeidsovereenkomst van 2009 evenmin verandering. Vast staat immers dat [verweerder] hiertegen bij [de algemeen directeur] bezwaar heeft gemaakt.
“Wij wensen te benadrukken dat het tantième geen vast onderdeel uitmaakt van de arbeidsvoorwaarden, noch dat bij een langjarige uitkering van tantièmes een situatie ontstaat waaraan de medewerker rechten kan ontlenen. Aandeelhouders en directie kunnen besluiten de voorwaarden en daarmee de hoogte van de tantième voor alle, maar ook voor individuele medewerkers aan te passen.”[verweerder] hoefde echter naar het oordeel van het hof redelijkerwijs niet te begrijpen dat deze zin, die onderdeel uitmaakte van een algemene brief aan het gehele personeel, ook van toepassing was op de aanvulling van de tantièmestaffel in zijn arbeidsovereenkomst met een percentage van 1,5% voor de winst boven de € 10 miljoen per jaar. Voor [verweerder] gold immers, anders dan voor gewone medewerkers, dat het tantième wel degelijk een vast onderdeel uitmaakte van zijn arbeidsvoorwaarden waar hij recht op had, en waaraan door aandeelhouders en directie in beginsel geen nadere voorwaarden (bijvoorbeeld op het gebied van functioneren) konden worden gesteld. VORM Bouw heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan [verweerder] had moeten begrijpen dat dit anders was voor de aanvullende 1,5% tantième over de winst van VORM Holding boven de € 10 miljoen per jaar.
in redelijkheidvan VORM Bouw niet verlangd kan worden dat zij de arbeidsovereenkomst met [verweerder] voortzet. [verweerder] verzoekt het hof om de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de g-grond te vernietigen en om, in plaats van de arbeidsovereenkomst te herstellen, aan hem een billijke vergoeding toe te kennen op grond van artikel 7:683 lid 3 BW Pro van € 1.635.000,-- bruto, met een verhoging van dit bedrag met € 475.000,-- bruto indien het hof van oordeel is dat [verweerder] geen aanspraak heeft op tantième over 2018.
“Het tantième over 1 juli 2009 tot en met 31 december 2009 wordt uiterlijk op 1 januari 2011 uitgekeerd. Deze uitkering van tantième vervalt als er na 1 januari 2011 geen dienstverband meer is tussen werknemer en werkgever. Het tantième over elk navolgend gehele kalenderjaar wordt aan het eind van juni van het daaropvolgend kalenderjaar uitgekeerd, de eerste uitkering over een vol kalenderjaar zal aan het eind van juni 2011 zijn.”Anders dan VORM Bouw aanvoert, kan hieruit redelijkerwijs niet worden afgeleid dat ook voor de tantième-uitkeringen over de jaren na 2009 de (volgens VORM Bouw algemeen geldende) voorwaarde gold dat er ten tijde van de uitbetaling nog sprake was van een dienstverband. De in de arbeidsovereenkomst opgenomen voorwaarde ziet uitsluitend op het tantième over de periode van 1 juli 2009 tot en met 31 december 2009. Aan het recht op tantième over de jaren erna zijn in de arbeidsovereenkomst geen nadere voorwaarden gesteld. Het verweer van VORM Bouw dat er binnen VORM Bouw sprake was van het vaste beleid dat voor het recht op tantième de voorwaarde gold dat de betreffende medewerker op het moment van uitbetaling nog in dienst was, is – in het kader van de toepassing van de Haviltex-norm – naar het oordeel van het hof alleen dan relevant als [verweerder] van dit beleid op de hoogte was. Dat [verweerder] van een dergelijk beleid op de hoogte was, is door [verweerder] echter gemotiveerd betwist. Door VORM Bouw zijn geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit een dergelijke wetenschap van [verweerder] kan worden afgeleid. [de algemeen directeur] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep desgevraagd verklaard dat hij niet zou weten hoe [verweerder] dat beleid zou moeten kennen. Het beroep van VORM Bouw op haar beleid op dit punt, en het daaraan gekoppelde bewijsaanbod, worden dan ook gepasseerd.
- de in de loonstrook opgenomen compensatie pensioenpremie ad € 534,61 per maand;
- de werkgeversbijdrage pensioenpremie ad € 775,- per maand;
- een vergoeding voor het gebruik van een auto (ref. Tesla): € 1.411,- per maand;
- het gemiddelde tantième over de jaren 2016, 2017 en 2018, zijnde een bedrag van € 373.625,- per jaar, derhalve € 31.135,- per maand.
Dit alles leidt, aldus [verweerder] , tot een jaarloon van € 527.650,40 en een dagloon van € 2.028,30, zijnde de waarde van een uit te keren verlofdag. Wat betreft het aantal nog uit te keren verlofdagen stelt [verweerder] dat hij recht heeft op uitkering van 73 verlofdagen, terwijl dit er volgens het overzicht van VORM Bouw slechts 63 zijn. [verweerder] vordert – kort samengevat – dat VORM Bouw wordt veroordeeld tot het opstellen van een nieuwe (correcte) eindafrekening, en tot uitbetaling van 73 verlofdagen x (primair) € 2.028,30, zijnde een totaalbedrag van € 148.065,90, en subsidiair (indien wordt uitgegaan van het gemiddelde tantième over 2015 t/m 2017) een bedrag van € 115.953,60. Tevens vordert [verweerder] de wettelijke verhoging over hetgeen VORM Bouw op dit punt te weinig aan hem heeft uitbetaald.
In de beide zaken:
Beslissing
- verwerpt het principaal en incidenteel beroep;
- bekrachtigt de tussen partijen gegeven deelbeschikking van de kantonrechter te Rotterdam van 23 augustus 2018;
- veroordeelt VORM Bouw als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in het principaal hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [verweerder] begroot op € 318,- aan verschotten, € 6.859,- aan salaris voor de advocaat (1 ¾ punt tarief VI à € 3.919,-) en op € 157,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan deze beschikking in de zaak 200.246.685/01 is voldaan en vervolgens betekening van deze beschikking heeft plaatsgevonden,
- veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van VORM Bouw tot op heden begroot op nihil;
- verklaart deze beschikking ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst het meer of anders verzochte af.
In de zaak 200.252.116/01:
- bekrachtigt de tussen partijen gegeven eindbeschikking van de kantonrechter te Rotterdam van 2 oktober 2018, voor zover deze betreft de ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2019, de toekenning van een bedrag van € 90.000,- bruto als billijke vergoeding, de afwijzing van de door [verweerder] verzochte wettelijke verhoging en wettelijke rente, de afwijzing van de door [verweerder] verzochte daadwerkelijke juridische kosten en buitengerechtelijke kosten, en de veroordeling van VORM Bouw in de proceskosten in eerste aanleg aan de zijde van [verweerder] ;
- vernietigt de tussen partijen gegeven eindbeschikking van de kantonrechter te Rotterdam van 2 oktober 2018 voor het overige,
opnieuw rechtdoende:
- verklaart voor recht dat [verweerder] aanspraak heeft op het tantième over het boekjaar 2018 met inachtneming van de criteria en staffels zoals die gelden vanaf 2015, respectievelijk zijn toegepast over de boekjaren 2015, 2016 en 2017;
- veroordeelt VORM Bouw tot betaling aan [verweerder] van het tantième over 2018, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 juli 2019;
- veroordeelt VORM Bouw tot betaling aan [verweerder] van de transitievergoeding ten bedrage van € 100.367,50 bruto, onder aftrek van de reeds betaalde transitievergoeding;
- gelast VORM Bouw een correcte eindafrekening op te stellen waarbij wordt vastgesteld dat [verweerder] vanaf 12 maart 2018 recht heeft op volledige opbouw van vakantiedagen, en dat bij de berekening van de uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen rekening wordt gehouden met het bruto maandsalaris, vakantiebijslag, 13e maand, compensatie pensioenpremie, gebruik van een vergelijkbare auto als de huidige ter beschikking gestelde conform lease offerte, werkgeversbijdrage pensioen en het tantième over het gemiddelde over 2016 tot en met 2018, zijnde in totaal een bedrag van 73 x € 2.028,30 = € 148.065,90 bruto;
- stelt het aantal uit te keren vakantie- respectievelijk verlofdagen vast op 73 dagen, en veroordeelt VORM Bouw tot uitbetaling hiervan op basis van de berekening als hierboven bepaald, alsook uitbetaling van de nog verschuldigde vakantiebijslag over de periode juni-december 2018 onder aftrek van het reeds ontvangen bedrag, een en ander te vermeerderen met een wettelijke verhoging over het nog verschuldigde bedrag van 10% ex artikel 7:625 BW Pro;
- compenseert de kosten in het principaal hoger beroep, in die zin dat elke partij zijn/haar eigen kosten draagt;
- veroordeelt VORM Bouw in de kosten van het geding in het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot op € 735,- aan salaris advocaat (0,5 x ¾ punt tarief IV à € 1.959,-) en op € 157,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan deze beschikking is voldaan en vervolgens betekening van deze beschikking in de zaak 200.252.116/01 heeft plaatsgevonden;
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst het meer of anders verzochte af.