Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 6 juli 2021
Centric Netherlands B.V.,
[werknemer] ,
Waar deze zaak over gaat
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Het hof stelt voorop dat het aan de rechter is om die feiten vast te stellen die hij voor de beoordeling van de zaak van belang acht. Daarbij wordt geen volledigheid nagestreefd. Centric heeft in deze zaak een grief (grief I) gericht tegen de feitenvaststelling door de kantonrechter en daarbij uitvoerig, 29 pagina’s lang, de feiten uiteengezet zoals zich die volgens haar hebben voorgedaan, zonder voldoende duidelijk te maken op welke punten de door de kantonrechter vastgestelde feiten en daarmee samenhangende overwegingen onjuist zouden zijn. Gelet op het voorgaande dienen de door de kantonrechter vastgestelde feiten ook het hof als uitgangspunt nu zij in hoger beroep niet in geschil zijn althans door Centric in hoger beroep niet behoorlijk zijn bestreden. Het hof zal bij de feitenvaststelling tevens de feiten betrekken die in hoger beroep zijn komen vast te staan. Grief I treft geen doel.
ook het businessplan 2020 op te stellen en daarover te rapporteren aan [bestuurder]’. Uit de e-mail blijkt verder dat het [werknemer] voorlopig verboden werd om rechtstreeks met het personeel van Centric te communiceren. De toegang tot de ICT-systemen zou in eerste instantie nog niet volledig zijn, aldus de e-mail. Als [werknemer] niet zou verschijnen was sprake van werkverzuim.
De verdere beoordeling in hoger beroep
Samenwerking is prettig, de vrijheid en afstemming is veel natuurlijker. Samenwerking gaat erg goed met [werknemer][hof: [werknemer] ]
. We doen veel in afstemming en voor 99% liggen we op een lijn. Hebben aan een half woord genoeg, geen verborgen agenda”.
Allereerst wil ik beginnen met een officiële waarschuwing ten aanzien van wat er gebeurd is in Utrecht.”Daarmee was de toon van het gesprek gezet. [bestuurder] is in de loop van het gesprek steeds meer geïrriteerd geraakt en heeft over het vonnis van 7 november 2019 onder andere opgemerkt dat niet de kantonrechter uitmaakte wat er binnen zijn bedrijf gebeurde, maar hijzelf:
“Het vonnis van de rechter zegt mij helemaal niets, (…) Je hebt met mij te maken en niet met de rechter (…) Je komt hier naar toe[lees: naar Gouda]
! En dat maak ik wel uit. Dat maak ik wel uit, dat maakt niemand anders uit. Niemand anders Maar ook echt niemand anders (,,,). Niemand. (…) ”. Naar aanleiding van de opmerking van [werknemer] dat hij zijn taken en bevoegdheden allemaal terugkrijgt, zegt [bestuurder] : “
Je gaat gewoon aan mij rapporteren (…). Je krijgt opdrachten van mij en die ga je uitvoeren. En dan wil ik met recht nog weleens zien wat die rechter wil uitspreken. Ik heb daar nu even niks mee te maken. Je hebt met mij te maken en niet met de rechter. (…) Knoop dat even goed in je oren. (… ) Ik wil even duidelijk hebben dat je aan MIJ rapporteert en niet aan de rechter. (…) Hoe kan ik iemand sturen, als die niet aan mij rapporteert. En straks is daar een kamer daar kun je werken en kun je gewoon een businessplan maken voor Staffing. Niet, ik zal ik je. Hier gelden zettende regels. En als je weer een rechtszaak begint dan zal ik je vertellen, uiteindelijk maak ik de leiding uit en niet de rechter. Punt. En ik doe dit naar eer en geweten en zo goed mogelijk.”Op de tegenwerping van [werknemer] dat de rechter toch een duidelijk vonnis had gewezen, hij zijn eigen werk wil gaan doen en de businessplannen en begrotingen allang waren gemaakt en gepresenteerd, reageerde [bestuurder] met:
“Als je het niet wilt doen, dan ga je weg. Je zoekt het maar uit. Schrijf maar op dat ik dus een businessplan wil hebben en dat meneer niet bereid is om het businessplan te maken (…) Als jij denkt hiermee weg te komen, dan heb je totaal de verkeerde beet, totaal de verkeerde, maar ook totaal de verkeerde. Totaal de verkeerde. En de wijze waarop je communiceert bevalt me helemaal niet. En mag je opschrijven dat jij geen enkele respect hebt. Geen enkele respect hebt voor de leiding. Schrijf maar op, schrijf maar op, opschrijven. Geen enkele respect voor de leiding (...) ”.De toonzetting en wijze van bejegening van [werknemer] door [bestuurder] is naar het oordeel van het hof in strijd met goed werkgeverschap en aan Centric te verwijten.
IJsselsteinkan vervullen en een concreet voorstel gedaan voor een mediator ( [mediator] ). Daarop heeft de advocaat van Centric een dag later gereageerd met de mededeling dat, ervan uitgaande dat [werknemer] bereid is mee te werken aan zijn terugkeer naar
Gouda, hij zijn cliënte heeft gevraagd hem te adviseren over de persoon die als mediator zou kunnen worden aangesteld. Bij e-mail van 28 oktober 2019 vroeg de advocaat van [werknemer] aan Centric om alsnog te laten weten of deze akkoord ging met mediation en de voorgestelde mediator. Daarop werd van de zijde van Centric afwijzend gereageerd bij e-mail van 29 oktober 2019: de vraag of Centric alsnog akkoord wilde gaan met mediation en de voorgestelde mediator zou ‘onbegrijpelijk’ zijn, aangezien [werknemer] (en zijn advocaat) tijdens de kort geding zitting zou hebben verklaard niet mee te willen werken aan mediation maar eerst de uitspraak van de kantonrechter te willen afwachten. Toen de advocaat van [werknemer] op 1 november 2019 schreef dat hij inmiddels meerdere keren had meegedeeld dat [werknemer] zijn medewerking wilde verlenen aan mediation, zonder verdere voorwaarden, reageerde de advocaat van Centric op 4 november daarop slechts met de mededeling dat onjuist was dat meerdere keren van de zijde van [werknemer] was meegedeeld dat deze wilde meewerken aan mediation zonder verdere voorwaarden. Een constructieve reactie of voorstel van de zijde van Centric is verder uitgebleven. Op een e-mail van 7 november 2019 – na het kort geding vonnis – waarin de advocaat van [werknemer] schreef dat zijn cliënt nog steeds open stond voor mediation, maar wel het werk wilde hervatten, reageerde Centric vervolgens pas op 11 november 2019, ook nu niet met een concreet voorstel of een reactie op de op 24 oktober 2019 door [werknemer] voorgestelde mediator, maar met de aankondiging dat zij een voorstel zou gaan doen voor mediation. Dat voorstel is echter niet meer gekomen; [werknemer] heeft op 14 november 2019 het ontbindingsverzoek ingediend. Ook als het zo is dat [werknemer] en/of zijn advocaat tijdens de kort geding zitting gezegd zouden hebben eerst het vonnis te willen afwachten, valt niet in te zien waarom door Centric geen adequate actie is ondernomen toen van de zijde van [werknemer] op 24 oktober 2019 een concrete mediator is voorgesteld en op 1 november werd bevestigd dat hij bereid was om zijn medewerking te verlenen aan mediation zonder verdere voorwaarden. Naar het oordeel van het hof lag het op de weg van Centric om in elk geval naar aanleiding van de e-mail van 1 november 2019, zo al niet eerder, een concreet voorstel te doen voor mediation dan wel inhoudelijk te reageren op de door [werknemer] voorgestelde mediator. Dit heeft zij echter niet gedaan en dit valt naar het oordeel van het hof in de gegeven omstandigheden aan haar te verwijten.
[bestuurder] Centric is geheel onthoofd na vertrek commercieel directeur (…) Met zijn aanstaande vertrek is nu de complete top van het IT-bedrijf weg”).
- hetgeen de werknemer aan loon zou hebben genoten als de ontbinding niet zou hebben plaatsgevonden;
- de mate waarin aan de werkgever een verwijt valt te maken;
- de gevolgen van het ontslag voor zover deze zijn toe te rekenen aan het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever;
- of de werknemer inmiddels ander werk heeft gevonden en welke inkomsten hij daaruit geniet;
- de andere inkomsten die de werknemer in de toekomst naar verwachting kan verwerven;
- de hoogte van de aan de werknemer toekomende transitievergoeding.