ECLI:NL:GHDHA:2021:1671
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging belastingheffing pensioen in eigen beheer ondanks niet-uitgekeerd deel
Belanghebbende en zijn broer hielden elk 50% van de aandelen in een BV die pensioenvoorzieningen beheerde. In 2017 werd de pensioenaanspraak van belanghebbende afgekocht, waarbij een deel van het netto-pensioen niet kon worden uitgekeerd vanwege onvoldoende middelen van de BV. Belanghebbende voerde aan dat dit niet-uitgekeerde deel niet als belastbaar inkomen mocht worden gerekend.
De Rechtbank oordeelde dat het niet-uitgekeerde deel wel degelijk tot het belastbaar inkomen uit werk en woning behoort, omdat het genietingstijdstip van het pensioen volgens de wet op het moment van afkoop ligt en de vordering op de BV na dat moment losstaat van loon. Het hof bevestigt deze uitleg en wijst het beroep af.
Daarnaast kwalificeert het hof het niet-uitgekeerde pensioenbedrag als een informele kapitaalstorting en niet als een terbeschikkingstelling van een vermogensbestanddeel, waardoor het bedrag de verkrijgingsprijs van de aandelen verhoogt. Het hof ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting 2017 wordt bevestigd.