ECLI:NL:HR:2020:329
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt belastingheffing bij afkoop stamrecht en kwalificatie kapitaalstorting
De zaak betreft een geschil over de belastingheffing naar aanleiding van de afkoop van een stamrecht door de erflater, die tevens alle aandelen hield in de BV waarin het stamrecht was ondergebracht. De erflater had het stamrecht in 2005 ondergebracht bij de BV en in 2014 afgekocht, waarna de BV werd geliquideerd. De BV had loonheffing betaald over 80% van de waarde van het stamrecht, maar deze betaling was geboekt als schuld aan de erflater.
Het geschil betrof de vraag of het bedrag dat de BV aan loonheffing had voldaan terecht als belastbaar loon was aangemerkt en of de schuld van de BV aan de erflater als aftrekbaar verlies kon worden beschouwd. Het Hof oordeelde dat de betaling van loonheffing door de BV een informele kapitaalstorting was en dat de afkoop terecht als loon uit vroegere dienstbetrekking werd belast.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat de waarde van de aanspraak op het stamrecht bij afkoop vaststaat op het bedrag dat bij een derde zou moeten worden gestort, ongeacht de inbaarheid. Het oordeel van het Hof dat de BV het bedrag niet zou terugbetalen en dat dit een kapitaalstorting betreft, is niet onbegrijpelijk. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard.
De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en motiveerde niet verder omdat de zaak geen vragen opriep die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd.