ECLI:NL:GHDHA:2021:1672
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging belastingheffing afkoop pensioen in eigen beheer ondanks niet-uitgekeerd deel
Belanghebbende en zijn broer hielden elk 50% van de aandelen in een BV die pensioenvoorzieningen voerde. Bij afkoop van de pensioenaanspraak in 2017 werd een bedrag als loon uit vroegere dienstbetrekking belast, ondanks dat de BV onvoldoende middelen had om het volledige netto-pensioen uit te keren. De rechtbank oordeelde dat het niet-uitgekeerde deel geen negatief loon vormt, omdat belanghebbende een civielrechtelijke vordering op de BV heeft gekregen, welke zich na het genietingsmoment losmaakt van de loonsfeer.
Belanghebbende stelde in hoger beroep dat het niet-uitgekeerde pensioen als niet-genoten loon of als afwaardering van een vordering uit terbeschikkingstelling in aanmerking genomen moest worden. Het hof verwierp deze stellingen en bevestigde dat op grond van de wet het genietingstijdstip en de hoogte van het belastbare loon vaststaan, ongeacht daadwerkelijke uitbetaling.
Daarnaast kwalificeerde het hof het schuldig gebleven pensioenbedrag als een informele kapitaalstorting en niet als een terbeschikkingstelling van een vermogensbestanddeel, waardoor de verkrijgingsprijs van de aandelen wordt verhoogd. Het hoger beroep werd derhalve ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat het door de BV schuldig gebleven deel van het pensioen belastbaar blijft en kwalificeert dit als een informele kapitaalstorting; het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.