Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Rolnummer rechtbank : 4122680 CV EXPL 15-20435
arrest van 14 december 2021
[appellant],
[naam] Shipping Center B.V.,
Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
Verdere beoordeling van het hoger beroep
metinachtneming van de eventueel toepasselijke fiscale minimum rekenrente?
zonderinachtneming van de eventueel toepasselijke fiscale minimum rekenrente?
Welke extra voorzieningen zijn mogelijk om [appellant] in een aan de situatie onder b) en/of d) financieel gelijkwaardige positie te brengen, en welke kosten en/of (fiscale of andere) nadelen zijn daarmee voor partijen gemoeid?
Het hof verwerpt dit betoog. In het midden kan blijven of het betoog van [appellant] juist is, omdat uit de stukken redelijkerwijs niet anders kan worden afgeleid dan dat Nationale-Nederlanden de fiscaal voorgeschreven minimum rekenrente niet op deze door [appellant] geschetste wijze toepaste. Dat Nationale-Nederlanden daartoe wel bereid zou zijn geweest, en dat een dergelijke toepassing bovendien door de fiscus geaccepteerd zou zijn zonder verlies van de fiscale voordelen, is – anders dan [appellant] meent – niet aannemelijk geworden. Dit kan niet worden afgeleid uit de brief van Nationale-Nederlanden van december 2009, waar [appellant] naar verwijst. [appellant] ziet bovendien over het hoofd dat het bij de begroting van schade, waar hier sprake van is, niet gaat om wat fiscaalrechtelijk al dan niet mogelijk zou zijn geweest, maar om (de inschatting) wat er zou zijn gebeurd als de wijziging van de pensioenovereenkomst in 2004 (meer concreet: de invoering van een vaste rekenrente van 5,5%) niet zou hebben plaatsgevonden.
primairevorderingen van [appellant] zijn gebaseerd op het uitgangspunt dat [appellant] recht heeft op een gegarandeerd tijdsevenredig ouderdomspensioen vanaf 1 september 2011 (eindloonregeling) van ten minste € 20.745,-, althans € 14.007,- per jaar. Aangezien het hof dit uitgangspunt heeft verworpen, zijn de primaire vorderingen niet toewijsbaar.
subsidiairevorderingen van [appellant] zijn gebaseerd op het uitgangspunt dat [appellant] ten minste recht heeft op een verzekerd kapitaal dat correspondeert met een tijdsevenredig ouderdomspensioen vanaf 1 september 2011 van tenminste € 20.745,-, althans € 14.007,- per jaar. Aangezien het hof ook dit uitgangspunt niet volgt, zijn ook de subsidiaire vorderingen niet toewijsbaar.
Beslissing
opnieuw rechtdoende:
- veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 136,- per maand over de periode van 1 september 2011 tot zijn overlijden, en aan zijn echtgenote, als zij hem overleeft, vanaf het overlijden van [appellant] een bedrag van € 95,- per maand tot aan haar overlijden, bij vooruitbetaling te voldoen (voor zover het gaat om nog niet verstreken termijnen) en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van deze bedragen;
- veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] ter zake van buitengerechtelijke kosten van de volgende bedragen:
ii) een bedrag van € 1.275,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2016 tot de dag van betaling;
iii) een bedrag van € 1.288,66;
- compenseert de proceskosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, in die zin dat elke partij zijn/haar eigen kosten draagt;
- veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [appellant] van al hetgeen [appellant] op grond van het vernietigde vonnis van de kantonrechter aan [geïntimeerde] heeft betaald;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst het meer of anders gevorderde af.