Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 29 september 2022
[X] te [Z] , belanghebbende,
de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, de Heffingsambtenaar,
Procesverloop
Feiten
Oordeel van de Rechtbank
Schending hoorplicht
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende is eigenaar van een portiekwoning in Rotterdam, waarvan de WOZ-waarde voor 2020 is vastgesteld op €337.000. Na een bezwaarprocedure en een ongegrond verklaard beroep bij de Rechtbank Rotterdam, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Den Haag.
De kern van het geschil betreft de juistheid van de WOZ-waarde. Belanghebbende betoogde dat de waarde te hoog was vastgesteld en stelde een lagere waarde van €290.000 voor. Tevens voerde zij aan dat de hoorplicht was geschonden omdat geen mogelijkheid was geboden om het bezwaar mondeling toe te lichten.
Het hof overwoog dat de heffingsambtenaar voldoende rekening had gehouden met verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten, die qua type, bouwjaar, ligging en kwaliteit voldoende vergelijkbaar waren. De verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten weerspiegelen de marktwaarde, ook al zijn deze hoger door de stijgende woningmarkt. De stelling van belanghebbende dat overlast van trauma- en politiehelikopters onvoldoende was meegenomen, werd verworpen omdat alle objecten in dezelfde straat liggen en de overlast als verdisconteerd kan worden beschouwd.
De hoorplicht is niet geschonden omdat belanghebbende geen verzoek tot hoorzitting had ingediend. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de WOZ-waarde van €337.000 en verklaart het hoger beroep ongegrond.