ECLI:NL:GHDHA:2022:2631
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- C. Maas
- Chr.Th.P.M. Zandhuis
- I. Reijngoud
- Rechtspraak.nl
Rentevergoeding uit onverschuldigde betaling blijft ondernemingsvoordeel na staking onderneming
Belanghebbende, voormalig varkenshouder, ontving in 2016 een rentevergoeding over onverschuldigde betalingen die voortvloeiden uit een procedure tegen het Landbouwschap over verplichte inentingsheffingen. Deze rentevergoeding was niet opgenomen in zijn aangifte inkomstenbelasting 2016.
De Inspecteur legde navorderingsaanslagen op waarin de rentevergoeding als nagekomen bedrijfsbate werd belast. Zowel de Rechtbank als het Gerechtshof oordeelden dat de rentevergoeding verband houdt met de voormalige onderneming, ook al werd deze na staking ontvangen. Dit omdat de vordering uit onverschuldigde betaling al vóór staking bestond en vanwege onzekerheden omtrent de afwikkeling tot na staking bleef behoren tot het ondernemingsvermogen.
Belanghebbende betoogde dat de vordering en rentevergoeding te ver verwijderd waren van de onderneming en dat deze tot het privévermogen behoorden. Het Hof verwierp dit en stelde dat de rentevergoeding terecht tot het inkomen uit werk en woning werd gerekend. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de rentevergoeding wordt belast als voordeel uit onderneming.