Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.Waar deze zaak over gaat
2.Procesverloop in hoger beroep
3.Feiten
4.Procedure bij de kantonrechter
5.Beoordeling
ANTWOORD IN INCIDENTEEL APPEL”) een reactie inhoudt op de grieven van Focwa in incidenteel beroep. Het daaraan voorafgaande deel (vanaf p. 2, nr 5) houdt kennelijk een voortzetting van het debat in principaal beroep in. De door [appellant] voor deze handelwijze gegeven rechtvaardiging - kort gezegd: dat Focwa in haar memorie van grieven in incidenteel beroep (onder 83) heeft opgemerkt dat zij herhaalt hetgeen zij in principaal beroep heeft gesteld - gaat niet op. Aan deze opmerking behoort redelijkerwijs geen verderstrekkende betekenis te worden toegekend dan dat Focwa haar stellingen in principaal beroep als herhaald beschouwt voor zover van belang voor de beoordeling van haar grieven in incidenteel beroep. De opmerking is derhalve geen vrijbrief voor een ongebreidelde voortzetting van het debat in principaal beroep. Het hof zal op het desbetreffende gedeelte van de memorie en de bij die memorie overgelegde producties die op dat gedeelte betrekking hebben, dan ook geen acht slaan bij de beoordeling van het principale beroep. Dat geldt ook voor eventuele andere passages in deze memorie die een voortzetting inhouden van het debat in principaal beroep.
instellenvan een OR. Met het oog op de vrijwillige instelling van een OR zou, zo begrijpt het hof, de in het geding zijnde overeenkomst zijn gesloten. Het hof zal deze overeenkomst, anders dan de kantonrechter heeft gedaan, aanduiden als de OR-overeenkomst.
achtergehouden. Grief 14 in incidenteel beroep is dus ondeugdelijk. Ook hier geldt dat de afwijzing van de hierop betrekking hebbende vordering van Focwa in stand blijft.