Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 23 maart 2022
[X] te [Z] , belanghebbende,
de Inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Procesverloop
Feiten
Oordeel van de Rechtbank
Verrekening Liechtensteinse sociale zekerheidspremies
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende, werkzaam als bemanningslid op een Rijnvarend schip en in dienst bij een werkgever in Liechtenstein, was in 2016 verzekerd voor de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving op grond van een A1-verklaring van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De Inspecteur legde een navorderingsaanslag IB/PVV op zonder verrekening van in Liechtenstein betaalde premies.
De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond. Het Gerechtshof bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de A1-verklaring bindend is voor de Inspecteur en belastingrechter zolang deze niet is ingetrokken. Hierdoor is belanghebbende premieplichtig in Nederland en kunnen de Liechtensteinse premies niet worden verrekend.
Artikel 73 van Pro de Toepassingsverordening biedt geen grondslag voor verrekening in deze situatie, mede omdat Liechtenstein geen partij is bij de Rijnvarendenovereenkomst en de SVB reeds stappen heeft gezet om eventuele premies via overleg te verrekenen. Verder faalt het beroep dat buitenlandse premies in aftrek kunnen komen op het belastbare loon, omdat de Wet IB 2001 dit niet toestaat.
Belanghebbende stelde dat de Inspecteur in strijd met het evenredigheids- en zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld door de A1-verklaring te volgen, maar het Hof verwerpt deze stelling. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag IB/PVV blijft in stand zonder verrekening van Liechtensteinse premies.