ECLI:NL:GHDHA:2022:927
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het beroep op het vertrouwensbeginsel bij lijfrente-uitkeringen van een directeur-grootaandeelhouder
Belanghebbende, directeur en enig aandeelhouder van een BV, ontvangt sinds 2011 lijfrente-uitkeringen op grond van een lijfrenteovereenkomst. De Inspecteur heeft deze uitkeringen terecht tot het belastbaar inkomen uit werk en woning gerekend, ondanks een eerdere goedkeuring dat de BV geen loonheffing hoefde in te houden.
De Inspecteur heeft in de jaren 2011 en 2012 tegemoetkoming verleend door de lijfrente-uitkeringen niet in de heffing te betrekken, waardoor bij belanghebbende een vertrouwen is gewekt. Dit vertrouwen is echter rechtsgeldig opgezegd bij brief van 2 juni 2015, waarna de Inspecteur de uitkeringen vanaf 2015 weer in de belastingheffing heeft betrokken.
De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel afgewezen en het Gerechtshof bevestigt deze uitspraak. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat belanghebbende voldoende tijd is gegund om zich aan te passen aan de gewijzigde situatie en de Inspecteur de afspraak met een redelijke termijn heeft opgezegd.
Uitkomst: Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt en de aanslag 2015 wordt bevestigd met inachtneming van de lijfrente-uitkering in het belastbaar inkomen uit werk en woning.