ECLI:NL:GHDHA:2022:963
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- A. van Dongen
- Chr.Th.P.M. Zandhuis
- T.A. de Hek
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde galerijflat en geen schending inzagerecht
Belanghebbende, huurder van een galerijflat, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €122.000 voor het kalenderjaar 2019. De heffingsambtenaar stelde deze waarde vast op basis van een systematische vergelijking met vergelijkbare huurappartementen in een nabijgelegen wijk. Belanghebbende stelde dat voorafgaand aan de hoorzitting geen inzage was gegeven in de op de zaak betrekking hebbende stukken, wat een schending van het inzagerecht zou zijn.
De Rechtbank oordeelde dat het inzagerecht inderdaad was geschonden omdat niet was vermeld waar en wanneer stukken konden worden ingezien, maar dat dit niet leidde tot vernietiging van het besluit omdat de stukken voldoende kenbaar waren geworden. Ook veroordeelde de Rechtbank de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel om de WOZ-waarde met €5.000 te verlagen wegens omgevingsfactoren zoals een moskee en luchtverontreiniging werd afgewezen.
Het Gerechtshof bevestigde deze uitspraak. Het oordeelde dat de heffingsambtenaar niet verplicht was stukken vooraf toe te zenden en dat belanghebbende niet in haar belangen was geschaad omdat zij over de beschikking, het bezwaarschrift en het taxatieverslag beschikte. Daarnaast faalde het beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat de woningen niet identiek waren en de WOZ-waarde jaarlijks opnieuw wordt vastgesteld op basis van actuele marktgegevens.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Het Hof zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd op 25 mei 2022 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de WOZ-waarde en oordeelt dat het inzagerecht niet is geschonden; het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.