ECLI:NL:GHDHA:2023:1941
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde en afwijzing vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende, eigenaar van een restaurant met diverse bijbehorende ruimtes en parkeerplaatsen, betwistte de door de Heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van €1.987.000 voor het jaar 2020. De Heffingsambtenaar had deze waarde onderbouwd met een waarderapport, waardeopbouw en een bruto kapitalisatiefactor berekening, waarbij vergelijkbare objecten als referentie werden gebruikt.
De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Gerechtshof Den Haag bevestigde dit oordeel in hoger beroep. Het hof oordeelde dat de Heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. Belanghebbende had onvoldoende concrete feiten aangevoerd die tot een lagere waardering zouden leiden en de aangevoerde algemene bezwaren zoals bodemdaling en coronacrisis werden verworpen.
Daarnaast verzocht belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hoewel de redelijke termijn met circa drie maanden werd overschreden, achtte het hof de inhoud van de volmacht bijzondere omstandigheden die de aanwezigheid van spanning en frustratie bij belanghebbende niet aannemelijk maken. Daarom werd het verzoek tot vergoeding afgewezen.
Het hof zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling en bevestigde de uitspraak van de Rechtbank. De uitspraak werd op 30 augustus 2023 in het openbaar uitgesproken en ondertekend door raadsheer Van Rijnberk wegens verhindering van de voorzitter.
Uitkomst: De WOZ-waarde van €1.987.000 wordt bevestigd en het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen.