ECLI:NL:GHDHA:2023:622
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling redelijke termijn en proceskostenvergoeding in hoger beroep WOZ-zaak
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning en kreeg in eerste aanleg gedeeltelijk gelijk met een vaststelling van de waarde op € 680.000. De Rechtbank wees het verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af, mede vanwege coronamaatregelen die een termijnverlenging rechtvaardigden.
In hoger beroep betoogde belanghebbende dat de Rechtbank ten onrechte de waarde per punt voor proceskostenvergoeding toepaste die gold vóór het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022 en dat de coronamaatregelen niet als bijzondere omstandigheid mochten gelden voor verlenging van de redelijke termijn. De Heffingsambtenaar verweerde zich met het gesloten compromis en een werkafspraak over uitstel van hoorgesprekken.
Het Hof oordeelde dat de vaststellingsovereenkomst op het moment van sluiten (13 mei 2022) geldt en dat de waarde per punt van toen moet worden toegepast, ondanks het latere arrest van de Hoge Raad. De coronamaatregelen vormen geen algemene bijzondere omstandigheid, maar de door partijen gemaakte werkafspraak over uitstel van hoorgesprekken wel. Hierdoor is de redelijke termijn niet overschreden en is geen vergoeding immateriële schade verschuldigd.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding in hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.