Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting van een woning in Rotterdam. De Heffingsambtenaar wees het bezwaar af, waarna belanghebbende beroep instelde bij de Rechtbank Rotterdam. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, kende een immateriële schadevergoeding van €50 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelde de Heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten.
Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen het lage bedrag van de immateriële schadevergoeding en het niet vergoeden van het betaalde griffierecht. Het Hof oordeelde dat de redelijke termijn met ruim twee jaar en drie maanden was overschreden, waarvan drie maanden toerekenbaar aan de bezwaarfase. Volgens recente arresten van de Hoge Raad is het uitgangspunt voor immateriële schadevergoeding €500 per halfjaar overschrijding, tenzij het financiële belang gering is en de overschrijding korter dan twaalf maanden.
Het Hof vond dat de rechtbank ten onrechte het lagere bedrag van €50 had toegepast en verhoogde de immateriële schadevergoeding naar €500. Tevens werd de Heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht en de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep. Het beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover deze de immateriële schadevergoeding en griffierecht betrof.