Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 9 oktober 2024
[X] , te [Z] , belanghebbende,
de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep, de Heffingsambtenaar,
Procesverloop
Feiten
Oordeel van de Rechtbank
Toezendplicht in bezwaar
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende is eigenaar van een woning waarvan de WOZ-waarde voor 2021 door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €766.000. Tegen deze beschikking en de aanslagen is bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld bij de Rechtbank Rotterdam, die het beroep gegrond verklaarde wegens schending van de toezendplicht uit artikel 40 lid 2 Wet Pro WOZ. De rechtbank vernietigde het besluit, liet de rechtsgevolgen in stand en kende proceskostenvergoeding toe.
In hoger beroep en incidenteel hoger beroep is onder meer de hoogte van de proceskostenvergoeding en de schending van de toezendplicht aan de orde geweest. Het Hof oordeelt dat het niet aan het Hof is om de proceskostenvergoeding van de rechtbank te toetsen aan eigen richtsnoeren en bevestigt de matiging van de vergoeding. Tevens stelt het Hof vast dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase de onderbouwing van het indexeringspercentage en de KOUDV- en liggingsfactoren niet heeft verstrekt, hetgeen in strijd is met artikel 40 lid 2 Wet Pro WOZ.
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank en veroordeelt de heffingsambtenaar tot een proceskostenvergoeding van €875. De WOZ-waarde blijft gehandhaafd. Het Hof wijst erop dat tijdige verstrekking van gegevens belanghebbende in staat stelt bezwaar en beroep zinvol te benutten en onnodige procedures te voorkomen.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de schending van de toezendplicht en veroordeelt de heffingsambtenaar tot een proceskostenvergoeding van €875, terwijl de WOZ-waarde gehandhaafd blijft.