ECLI:NL:GHDHA:2024:2662
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over WOZ-waarde woning en informatieplicht heffingsambtenaar
Belanghebbende is eigenaar van een woning waarvan de WOZ-waarde voor 2022 aanvankelijk op €639.000 werd vastgesteld en ambtshalve werd verminderd tot €633.000. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze waardering, dat ongegrond werd verklaard, waarna hij beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en stelde dat de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld en dat de heffingsambtenaar de informatieplicht had geschonden.
Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende inzicht had gegeven in de waardebepaling en dat de gebruikte vergelijkingsobjecten en methodiek passend waren. Wel werd geoordeeld dat de heffingsambtenaar ten onrechte onvoldoende grond had vrijgesteld voor waterverdedigingswerken, waardoor de waarde met €8.000 moest worden verlaagd. Daarnaast werd vastgesteld dat de factor voor kwaliteit/luxe bij een referentiewoning ten onrechte was verlaagd, wat eveneens tot een te hoge waardering leidde.
De waardering van de inpandige garage en andere bijgebouwen werd als consistent beoordeeld. Het hof stelde de WOZ-waarde uiteindelijk vast op €610.000. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens vermeende schending van de informatieplicht werd afgewezen. Het hof gelastte de heffingsambtenaar om het betaalde griffierecht van €186 aan belanghebbende te vergoeden.
Uitkomst: WOZ-waarde woning vastgesteld op €610.000, verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen, griffierecht vergoed.