ECLI:NL:GHDHA:2024:730
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging correcte teruggaaf BPM bij export en afwijzing proceskostenvergoeding
Belanghebbende verzocht teruggaaf BPM voor twee personenauto's na export. De Inspecteur verleende de teruggaaf op basis van de BPM die op de datum van tenaamstelling verschuldigd was, niet op het bedrag dat daadwerkelijk was betaald bij aangifte. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenvergoeding af.
In hoger beroep bevestigde het Gerechtshof deze uitspraak. Het Hof oordeelde dat de wettelijke regeling (artikel 14a Wet BPM en artikel 8d lid 1 Uitvoeringsregeling) vereist dat de teruggaaf wordt berekend op het rest-BPM bedrag op het moment van tenaamstelling. Het feit dat belanghebbende meer BPM had betaald op aangifte, rechtvaardigt geen hogere teruggaaf.
Daarnaast stelde belanghebbende dat zij recht had op een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase, omdat de bezwaren gegrond hadden moeten worden verklaard. Het Hof verwierp dit en oordeelde dat geen sprake was van onrechtmatigheid van de Inspecteur en dat de bezwaren terecht ongegrond waren verklaard.
De beroepsprocedure en de griffierechten werden eveneens afgewezen. Het Hof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank en wees het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de teruggaaf BPM is bevestigd zonder toekenning van proceskostenvergoeding.