Conclusie
1.Overzicht
Inleiding
onderdeel 2schets ik de feiten en het geding in feitelijke instanties en in
onderdeel 3het verloop van het geding in cassatie. In
onderdeel 4ga ik vervolgens eerst in op recente ontwikkelingen binnen de rechtspraak van de overige hoogste bestuursrechters over het bestaan van een procesbelang indien uitsluitend wordt geprocedeerd over de proceskostenvergoeding in bezwaar.
onderdeel 5bespreek ik de achtergrond van deze zaak, waaronder het belastbare feit voor de bpm en het belang van de extra leeftijdskorting. Vervolgens beschrijf ik in
onderdeel 6de teruggaafregeling van art. 14a Wet BPM, waaronder het doel en de strekking ervan. In
onderdeel 7onderzoek ik welk bedrag aan bpm bepalend is voor de hoogte van de teruggaaf.
onderdeel 8bespreek ik de klacht van belanghebbende.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
3.Het geding in cassatie
4.Vooraf: procesbelang
beroep [10] (en nu dus ook: in
bezwaar). De Redactie van Vakstudie-Nieuws acht het niettemin niet uitgesloten dat de Hoge Raad op dit punt gaat ‘schuiven’ naar aanleiding van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. [11]
5.Achtergrond: belastbaar feit en extra leeftijdskorting
registratievan een personenauto, motorrijwiel of bestelauto in het Nederlandse kentekenregister (art. 1(2) Wet BPM). Het registreren of de registratie bestaat uit (i) de inschrijving in het kentekenregister en (ii) het te naam stellen dan wel het op naam stellen van een motorrijtuig (art. 2(b) Wet BPM). Dit zijn cumulatieve voorwaarden. Het belastbare feit, de registratie, is dus pas voltooid zodra het ingeschreven motorrijtuig te naam is gesteld.
Uit artikel 2 van Pro de Wet BPM volgt dat de wetgever ervan is uitgegaan dat de tenaamstelling van een motorrijtuig in het kentekenregister de voltooiing van de registratieprocedure betekent en dat op dat moment het belastbare feit voor de bpm zich voordoet.
gebruiktmotorrijtuig wordt geregistreerd, doet zich door deze verplichting tot vooruitbetaling vervolgens een complicatie voor. Voor dergelijke motorrijtuigen wordt namelijk een vermindering toegepast op de ‘bruto-bpm’ die op grond van art. 9 Wet Pro BPM verschuldigd is. Deze vermindering wordt berekend aan de hand van de afschrijving van het motorrijtuig. Artikel 10 Wet Pro BPM bepaalt voor zover relevant als volgt:
6.Teruggaaf van bpm bij export
Wettelijk kader
7.Het referentiebedrag voor de teruggaaf
Het belastingbedrag in de Wet
nieuwmotorrijtuig voor het eerst in Nederland in gebruik is genomen. In die situatie is het belastingbedrag, bedoeld in art. 14a(4) Wet BPM, hetzelfde als het belastingbedrag, bedoeld in art. 9 Wet Pro BPM, namelijk de bruto-bpm. Bij de heffing van bpm ter zake van de registratie van dat (nieuwe) motorrijtuig is immers geen vermindering toegepast op de voet van art. 10 Wet Pro BPM.
gebruiktmotorrijtuig in Nederland is geregistreerd en vervolgens wordt uitgevoerd. De ‘belastingbedragen’ in art. 8d(1) Uitv.reg. BPM zijn dan niet aan elkaar gelijk, vanwege de vermindering die reeds bij de heffing van bpm is toegepast. De hoofdregel van art. 8d(1) Uitv.reg. BPM blijft evenwel van toepassing voor de berekening van de vermindering bij export, mits de vermindering bij de heffing is berekend overeenkomstig de forfaitaire afschrijvingstabel van art. 8(5) Uitv.reg. BPM. De toelichting op art. 8d Uitv.reg. BPM vermeldt hierover het volgende: [41]
45
voldoening op aangifteen de (hogere) vermindering die hieruit volgt vervolgens toe te passen op de (lagere) bpm bij
tenaamstelling(registratie). Dit leidt immers tot een hogere afschrijvingssnelheid voor de teruggaaf ten opzichte van de heffing, wat niet strookt met de strekking van de teruggaafregeling (7.8).
tenaamstellingen dus niet op de datum van de
voldoening op aangifte. Ik licht dit al samenvattend toe.
registratie, maar hieronder werd tot 1 januari 2014 verstaan: “het opnemen van de bij een motorrijtuig behorende gegevens in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens” (art. 2 (oud) Wet BPM). Ook vóór 2014 gold evenwel dat de registratie pas was voltooid wanneer het kenteken te naam werd gesteld. [46] Met de wijziging per 1 januari 2014 [47] – waarbij in art. 2(b) Wet BPM nadrukkelijk onderscheid werd aangebracht tussen de inschrijving en tenaamstelling – zijn geen inhoudelijke gevolgen beoogd. [48] In zoverre doet de wijziging van het belastbare feit per 1 januari 2014 mijns inziens dus geen afbreuk aan het hiervoor in 7.26 beschreven uitgangspunt dat de regelgever ten grondslag heeft gelegd aan de teruggaafregeling in art. 8d Uitv.reg. BPM.